ECLI:NL:RBDHA:2025:27130

ECLI:NL:RBDHA:2025:27130

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-11-2025
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer NL24.45970 (beroep) en NL24.45971 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd. Mvv-vereiste. Gelijkheidsbeginsel. Refoulementrisico. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] ,

[eiser 2] , V-nummer: [v-nummer 2] ,

[eiser 3] , V-nummer: [v-nummer 3] ,

mede namens hun minderjarige (klein)kinderen:

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. J. Sinnema),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.G. Angela).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter hun verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 oktober 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, hun gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen de heer R. Ramdani.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

De aanvraag

2. [eiser 1] is geboren op [geboortedatum 1] 1974, [eiser 2] op [geboortedatum 2] 1987 en [eiser 3] op [geboortedatum 3] 1950. Eisers hebben allemaal de Iraakse nationaliteit. Zij hebben op 23 december 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’.

Het bestreden besluit

3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, nu eisers geen geldige mvv hebben en hiervan niet worden vrijgesteld. Zo is de uitzetting niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, is er geen sprake van een mvv-vrijstelling op medische gronden en is er geen sprake van dusdanige omstandigheden dat de hardheidsclausule maakt dat eisers van het mvv-vereiste moeten worden vrijgesteld. Verder slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet, voldoen eisers ook niet aan het paspoortvereiste en worden zij hiervan niet vrijgesteld, en is het opgelegde terugkeerbesluit geldig waardoor deze niet opgeheven hoeft te worden.

Wat vinden eisers in beroep?

4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en hebben daarvoor de volgende argumenten. In het kader van familieleven op grond artikel 8 van het EVRM beroepen eisers zich op hun band met de in Nederland woonachtige [naam 1] (broer van [eiser 1] , zoon van [eiser 3] ), waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook betogen eisers in dit kader dat eisers geen familieleden meer hebben in Irak en dat [naam 2] (vader van [eiser 1] , echtgenoot van [eiser 3] ) in Nederland is begraven. In het kader van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM stellen eisers dat de belangenafweging in hun voordeel uit zou moeten vallen. Zo is er privéleven opgebouwd terwijl zijn (procedureel) rechtmatig verblijf hadden, hebben zij sterke banden met Nederland en kunnen zij niet terug naar Irak of Armenië, vanwege het gevaar dat met name [eiser 1] en [minderjarige 1] lopen in Irak en de beperkte banden die zij hebben met Armenië. Ook verwijzen eisers naar de belangen van de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , brengen zij het deskundigenrapport ‘Best Interest of the Child-Assesment’ (BIC-rapport) van het Expertisecentrum van de Rijksuniversiteit Groningen in en stellen zij dat meegaan naar Irak of Armenië schadelijk is voor de ontwikkeling van de kinderen. Eisers vinden dat verweerder onterecht de belangen van de kinderen niet als een eerste overweging heeft gevormd in het bestreden besluit. Tot slot handhaven eisers hun beroep op het gelijkheidsbeginsel in relatie tot de zaak van Jacob en Tina, vinden zij dat het besluit onevenredig hard is waardoor verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen en dient verweerder een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken, te meer nu eisers (met name [eiser 1] en [minderjarige 1] ) gevaar lopen in Irak.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eisers kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Mocht verweerder nalaten eisers vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM?

6. Indien uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM, wordt de vreemdeling vrijgesteld van het mvv-vereiste. Verweerder mocht vinden dat eisers geen recht hebben op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal dat voor zowel familie- als privéleven toelichten.

Familieleven

7. In dit kader beroepen eisers zich op de bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen [eiser 3] en [naam 1] . Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden die uitstijgt boven het gebruikelijke. Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, dient verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.

Verweerder mocht tegenwerpen dat in de besluiten op eisers asielaanvragen – die in rechte vast staan – al is geconcludeerd dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen [naam 1] en de rest van de familieleden. Ook mocht verweerder tegenwerpen dat dit in de huidige procedure niet blijkt van samenwonen en eisers niet hebben onderbouwd dat [naam 1] eisers financieel ondersteunt. Er is dus geen blijk van een situatie dat eisers afhankelijk zijn van [naam 1] en zonder zijn hulp niet zelfstandig zouden kunnen functioneren. Eisers hebben ook langdurig voor hun komst naar Nederland gescheiden van [naam 1] geleefd. Daar komt voor [eiser 3] in het bijzonder bij dat zij altijd hulp heeft gekregen van het gezin van [eiser 1] en [eiser 2] en zij met hen zal terugkeren naar Irak of Armenië, waardoor zij de nodige hulp blijft ontvangen. De enkele stelling van eisers dat er sprake is van een het gebruikelijke overstijgende band als moeder en zoon voor een deel van de week samenwonen doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank begrijpt dat [naam 1] zijn familie en in het bijzonder zijn moeder wil ondersteunen. Dit volgt ook uit de brief van [naam 1] die hij bij de rechtbank heeft overgelegd. Maar hieruit volgt niet dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daarmee is er geen beschermenswaardig familieleven tussen eisers en [naam 1] . Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit dan ook niet in strijd met het familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Privéleven

8. Bij de vraag of sprake is van beschermenswaardig privéleven, dient verweerder alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken en dient hij deze tot uitdrukking te brengen in een belangenafweging. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en de hoogste bestuursrechter volgt dat er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van betekenis zijn kenbaar worden betrokken. De rechtbank moet ook hier vol toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken, maar moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen. Verder dienen volgens vaste rechtspraak van het EHRM in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging te vormen en moet aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht toekomen. Ook is van belang dat wanneer het privéleven wordt opgebouwd tijdens een periode waarin de verblijfsrechtelijke status onzeker is, en de vreemdeling zich van de onzekerheid van zijn verblijfsstatus bewust was, dat privéleven alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven. Uit het arrest Butt tegen Noorwegen volgt dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding kunnen zijn het gedrag van de ouders van een minderjarige vreemdeling ook aan die vreemdeling toe te rekenen. Dit omdat anders het risico bestaat dat ouders gebruikmaken van de positie van hun kinderen om een verblijfsrecht te verkrijgen. Dat kan anders zijn als er geen misbruiksituatie is en een vreemdeling nooit van zijn illegale of onzekere verblijfsstatus op de hoogte is geweest.

De rechtbank zal allereerst de banden van eisers met Nederland en het belang van de kinderen om in Nederland te blijven bespreken. Daarna komen de banden van eisers met zowel Armenië als Irak aan bod.

i. De banden met Nederland en het belang van de kinderen om in Nederland te blijven

Verweerder heeft in het voordeel van eisers gewogen dat, voornamelijk de kinderen, een (sterke) band met Nederland hebben opgebouwd. Verweerder betrekt daarbij dat [eiser 2] hier sociale contacten heeft opgebouwd, dat [naam 1] en [naam 3] in Nederland verblijven en dat [naam 2] in Nederland is begraven. Voor de kinderen specifiek wordt betrokken dat zij hier naar school gaan, hier vriendjes en vriendinnetjes hebben en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hier geboren en getogen zijn. Daarbij dient voor hen voorop gesteld te worden dat zij er belang bij hebben om in Nederland te blijven, zoals volgt uit het BIC-rapport. Dit geldt met name voor [minderjarige 1] , omdat zij haar vormende jaren in Nederland heeft voortgebracht. Daar dient een zwaar gewicht aan te worden toegekend. Echter is niet aan het BIC, maar aan verweerder om af te wegen of deze bevindingen zo zwaar wegen dat dit zou moeten leiden tot het verlenen van een verblijfsrecht. Dit valt niet binnen de deskundigheid van het BIC. Het deskundigenrapport kan in dit geval slechts iets zeggen over de gevolgen voor de kinderen bij terugkeer. Toegespitst op deze zaak heeft verweerder de bevindingen uit het deskundigenrapport kenbaar betrokken en heeft tegenover het belang van de kinderen om in Nederland te blijven mogen stellen dat er beschermende factoren aanwezig zijn die het risico op (ontwikkelings)schade bij de kinderen in geval van terugkeer beperken. De ouders hebben de kinderen eerder goed kunnen ondersteunen, waardoor verweerder mocht vinden dat verwacht mag worden dat zij dat ook doen bij terugkeer naar Armenië of Irak. In het nadeel van eisers, en in het bijzonder ten aanzien van de ouders, mocht verweerder wegen dat zij onrechtmatig Nederland opnieuw zijn ingereisd, zelf de keuze hebben gemaakt in Nederland onrechtmatig te verblijven en vanuit dat gegeven privéleven hebben opgebouwd en uitgebreid. Dat zij voor een deel van deze periode uitstel van vertrek hebben gehad doet hier onvoldoende aan af. Verder weegt verweerder in het nadeel dat eisers niet hebben meegewerkt aan terugkeer. Anders dan eisers stellen, mocht verweerder daarbij betrekken dat het niet verrichten van uitzettingshandelingen slechts het gevolg is geweest van procedureel verblijfsrecht door procedures die eisers zelf hebben aangespannen, terwijl ze wisten dat ze niet in Nederland mochten blijven. Ook mocht verweerder in eisers nadeel wegen dat zij hebben verzwegen de Armeense nationaliteit te hebben en hier afstand van hebben gedaan, waarmee – zo blijkt uit de rechterlijke overwegingen in de gevoerde asielprocedures – eisers moedwillig het asielsysteem hebben willen ontduiken. Voorgaande mocht verweerder, al dan niet vanwege hun beperkte verantwoordelijkheid, minder zwaar in het nadeel van de kinderen wegen. In het nadeel van de kinderen mocht verweerder ook meewegen de [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] er mogelijk van kunnen profiteren als zij een verblijfsvergunning krijgen en dat ook zij banden met Nederland hebben opgebouwd terwijl zij geen verblijfsvergunning hadden. Tot slot mocht verweerder in het nadeel van eisers wegen dat de gestelde medische situatie en leeftijd van [eiser 3] maakt dat er sprake is van een hoger risico op gezondheidskosten en dat er een beroep zal worden gedaan op zorgvoorzieningen in Nederland. De enkele stelling van eisers dat ze hier willen werken en niet afhankelijk willen zijn van de staat doet aan het voorgaande niet af. Bovendien is het een onzekere toekomstige gebeurtenis dat eisers – indien zij een verblijfsvergunning krijgen – op korte termijn zelf in hun behoeften kunnen voorzien.

ii. De banden met Armenië

Verder betrekt verweerder dat er ook beperkte banden tussen hen en Armenië bestaan, gelet op de omstandigheid dat eisers van Armeense komaf en Armeens-Christen zijn. Aan de enkele stelling van eisers dat zij nog nooit in Armenië zijn geweest mocht verweerder tegenover stellen dat eisers ook naar Nederland zijn gekomen terwijl zij nagenoeg geen banden met Nederland hadden. Eisers hebben bovendien zelf verklaard dat zij eerder de Armeense nationaliteit hebben gehad en – zoals verweerder terecht stelt – is niet gebleken dat eisers geprobeerd hebben om hun Armeense nationaliteit terug te krijgen. De rechtbank verwijst daarbij naar haar eerdere uitspraak van 14 oktober 2020. Verweerder mag dan ook vinden dat niet is gebleken dat eisers geen bestaan in Armenië op zouden kunnen bouwen.

iii. De banden met Irak

Verweerder mocht ook betrekken dat eisers sterke banden hebben met Irak. [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [minderjarige 1] zijn daar geboren, spreken de taal en zijn bekend met de cultuur aldaar. Voor de komst naar Nederland hebben eisers altijd in Irak gewoond en daarmee wonen de volwassenen langer in Irak dan in Nederland. Voor wat betreft het standpunt van eisers dat zij daar geen familie meer hebben, mocht verweerder vinden dat van hen als volwassenen verwacht mag worden dat zij zich in Irak ook zelfstandig kunnen redden zonder familie of vrienden en dat eventueel familieleden of vrienden vanuit Nederland kunnen helpen met het opbouwen van een leven in Irak.

De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder alle relevante gegevens en omstandigheden heeft betrokken. Voor wat betreft de belangenafweging overweegt de rechtbank dat alhoewel uit het voorgaande volgt dat er verschillende omstandigheden in het voordeel van eisers wegen, verweerder mocht vinden dat –gelet op wat er in het nadeel van eisers is gewogen – er geen sprake is van een situatie die maakt dat er sprake is van een uitzonderlijk geval die verweerder verplicht het privéleven van eisers in Nederland te laten voorzetten.

Mocht verweerder nalaten eisers vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule?

9. De rechtbank is van oordeel dat – met wat de rechtbank hierboven al heeft overwogen – verweerder mocht vinden dat de omstandigheden van eisers niet zo bijzonder zijn dat verweerder van zijn beleidsregels moet afwijken. Een beroep op de hardheidsclausule kan om diezelfde reden niet slagen.

Mocht verweerder vinden dat eisers geen beroep kunnen doen op het gelijkheidsbeginsel?

10. Voor zover eisers stellen dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het gelijkheidsbeginsel, volgt de rechtbank dit niet. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de zaak waar eisers naar verwijzen een asielzaak betreft, zodat die zaak van wezenlijk verschilt met de onderhavige situatie van eisers. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Is er bij terugkeer sprake van een refoulementrisico?

11. Verweerder is gehouden om in een reguliere procedure als de onderhavige van het terugkeerbesluit af te zien in situaties waarin uit het dossier dan wel het door de vreemdeling aangevoerde direct en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat er sprake is van een risico op refoulement. Voor wat betreft Armenië overweegt de rechtbank dat terugkeer daarheen – mede gelet op wat zij in rechtsoverweging 8.3 heeft overwogen – mogelijk is. Van een refoulementrisico aldaar is geen sprake. Voor terugkeer naar Irak stelt de rechtbank vast dat verweerder niet inhoudelijk heeft getoetst of eisers (met name [eiser 1] en [minderjarige 1] ) bij terugkeer naar Irak een risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft namelijk in de eerdere asielaanvraag van eisers het asielrelaas van [eiser 1] ten aanzien van Irak niet inhoudelijk beoordeeld, omdat er voor hem een beschermingsalternatief in Armenië is, welke onherroepelijk is geworden. Ook is het betoog dat [minderjarige 1] gevaar loopt nu zij behoort tot een sociale groep van verwesterde vrouwen nog niet inhoudelijk beoordeeld door verweerder. Echter is de rechtbank van oordeel dat in deze reguliere procedure uit de door eisers aangevoerde omstandigheden niet direct en zonder diepgaand onderzoek blijkt van een refoulementrisico bij terugkeer naar Irak. Daarvoor is namelijk meer onderzoek nodig die in een aparte asielprocedure beoordeeld dient te worden. Verweerder heeft ter zitting benadrukt dat het eisers vrij staat een asielaanvraag in te dienen en dat deze dan zal worden beoordeeld. Dat eisers in een dergelijke asielprocedure opnieuw tegengeworpen kan worden dat er een beschermingsalternatief is in Armenië doet hieraan niet af. Het is aan eisers om aan te tonen dat het voor hen onmogelijk feitelijk die nationaliteit te herkrijgen, hetgeen zij tot op heden (nog) niet hebben gedaan. Er is nog geen enkele blijk van een oprechte poging hiertoe. Er is dan ook op dit moment geen reden om geen terugkeerbesluit op te leggen dat zich richt op zowel Armenië als Irak. De beroepsgrond van eisers op dit punt slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eisers voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit blijft staan.

13. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

14. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep

of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?