[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
mede namens haar minderjarige kinderen: [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
(gemachtigde: mr. L. Leenders),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
De aanvraag
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Egyptische nationaliteit. Op 18 september 2023 heeft eiseres samen met haar twee minderjarige dochters verweerder verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om haar zus, mevrouw [referente] (referente), in Nederland te bezoeken.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Daarnaast bestaat er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat eiseres een geringe sociale en economische binding heeft met Egypte.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Eiseres is sociaal gebonden aan Egypte. Zo heeft eiseres bij de aanvraag en in de vragenlijst aangegeven dat zij getrouwd is. Haar dochters zijn afhankelijk van hun vader en kunnen niet van hem gescheiden worden. Ook is eiseres economisch gebonden aan Egypte, nu zij in het bezit is van onroerend goed. Daarnaast voert eiseres aan dat zij en haar dochters eerder al naar Nederland zijn gereisd met een visum kort verblijf. Ook is referent in een andere procedure succesvol opgetreden als garantsteller. Gelet op wat eiseres heeft aangevoerd in bezwaar had verweerder niet mogen afzien van een hoorzitting. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 6 juli 2022.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 32, tweede lid, van de Visumcode volgt dat verweerder de afwijzende beslissing en de reden daarvoor kenbaar maakt door middel van een standaardformulier. Verder is het een standaardpraktijk van verweerder om in de bezwaarfase bij visumaanvragen een vragenlijst uit te doen zodat de aanvrager zijn bezwaar nader kan motiveren. Met het voorgaande en de omstandigheid om de vreemdeling in bezwaar niet te horen, stelt verweerder zich daarmee bloot aan het risico dat de vreemdeling na de bestuurlijke fase nog nadere stukken indient om zijn of haar aanvraag te onderbouwen. Deze stukken hadden in de bezwaarfase kunnen worden ingediend als verweerder met de vreemdeling tijdens een hoorzitting in gesprek was gegaan.
In deze zaak is sprake van een dergelijke situatie. Eiseres heeft na de bestuurlijke fase een huwelijksakte en inschrijving van haar dochters op school in Egypte overgelegd, nu pas in het bestreden besluit aan eiseres expliciet is tegengeworpen dat zij dergelijke stukken, in dit geval voornamelijk de huwelijksakte, niet heeft overgelegd. Zowel uit het primaire besluit als uit de vragenlijst volgt niet dat eiseres een dergelijk stuk in moet dienen om zo haar sociale binding met Egypte te kunnen staven. Dit had besproken kunnen worden tijdens een hoorzitting. Datzelfde geldt ook voor de stelling van eiseres dat zij al in 2010 en 2019 naar Nederland is gekomen en daarbij telkens voor het aflopen van haar visum terug is gekeerd naar Egypte. Ter zitting heeft verweerder verklaard bekend te zijn met in ieder geval de komst van eiseres in 2010. Destijds heeft verweerder eerder dus wel gevonden dat de sociale en economische binding van eiseres met Egypte voldoende is. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom de situatie nu anders is en deze bindingen er niet (meer) zijn. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat verweerder de hoorplicht geschonden en dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Verweerder kon in deze zaak niet van horen afzien en moet beoordelen of de nader ingediende stukken, de daarbij gegeven motivering en de omstandigheid dat eiseres in ieder geval één keer in eerder in Nederland is geweest en weer op tijd terug is gegaan de besluitvorming niet anders maken.
7. Omdat het beroep reeds om voorgaande reden gegrond is, worden de rest van de beroepsgronden niet meer besproken.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is omdat verweerder de hoorplicht heeft geschonden en het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht heeft genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet te nemen waarin de overwegingen van de rechtbank in acht moeten worden genomen. De rechtbank geeft verweerder hier zes weken voor.
9. Verweerder moet de proceskosten van eiseres vergoeden. De rechtbank stelt deze kosten voor de rechtsbijstand die door de gemachtigde van eiseres is verleend vast op een totaal van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907 met een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het griffierecht van € 194 vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.