[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor het wijzigen van zijn verblijfsdoel en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 september 2024 afgewezen. Met het besluit van 28 april 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen de heer A. Sherradi.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
De aanvraag
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Eiser heeft eerder een verblijfsvergunning gekregen voor het doel verblijf als familie- of gezinslid bij zijn inmiddels ex-partner. Vanwege de verbreking van de relatie is deze verblijfsvergunning ingetrokken per 13 maart 2023. Eiser heeft daarom op 1 mei 2024 een aanvraag ingediend voor het wijzigen van het doel van zijn verblijfsvergunning, te weten voorzetting van zijn verblijf op basis van niet-tijdelijke humanitaire gronden.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, nu eiser niet minimaal 5 jaar verblijf heeft gehad bij zijn ex-partner in Nederland. Verder vindt verweerder dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn waardoor eiser in Nederland moet blijven wonen of dat verweerder naar aanleiding daarvan moet afwijken van de beleidsregels. Ook vindt verweerder dat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er is wel sprake van privéleven in Nederland, maar de belangenafweging hiervan heeft verweerder in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Eiser noemt dat verweerder op 12 maart 2024 aan hem heeft aangegeven dat hij zijn verblijfsvergunning kon verlengen, maar confronteert eiser daarna toch met een intrekking die met terugwerkende kracht op 13 maart 2024 werkt nadat hij in de verlengingsaanvraag eerlijk heeft toegelicht dat hij niet meer samen met zijn ex-partner woont. Eiser wordt benadeeld voor zijn eerlijkheid en de gang van zaken is in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Eiser geeft verder aan dat over de familieband tussen hem en zijn stiefzoon ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden door verweerder. Wat betreft de belangenafweging van eisers privéleven stelt hij dat verweerder daarbij niet alle feiten en omstandigheden heeft betrokken en dat verweerder alleen de omstandigheden in eisers nadeel (kenbaar) heeft betrokken in deze afweging, en dat verweerder de belangenafweging niet in zijn nadeel had kunnen laten uitvallen. Tot slot vindt eiser dat zijn omstandigheden maken dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid om van beleid af te wijken en dat verweerder eiser had moeten horen op zijn bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers aanvraag had mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
6. Allereerst overweegt de rechtbank dat het afwijzen van het verlengen en de intrekking van de eerdere verblijfsvergunning hier niet ter discussie staat, nu deze al in rechte vast staan. Eisers punt dat hij wordt benadeeld voor zijn eerlijkheid en dat dit in strijd zou zijn met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel kan dan ook geen onderdeel uitmaken van deze procedure. Echter acht de rechtbank het wel van belang te noemen dat eiser geen verwijt wordt gemaakt dat hij over zijn relatie aanvankelijk niets heeft gemeld bij verweerder, zoals ook ter zitting door verweerder is toegelicht.
Heeft verweerder een juiste belangenafweging als bedoeld in artikel 8 van het EVRM gemaakt?
Familieleven
7. Voor wat betreft de band tussen eiser en zijn stiefzoon mocht verweerder vinden dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden die de gebruikelijke omgang zouden overstijgen. Dat verweerder hier geen onderzoek naar zou hebben gedaan volgt de rechtbank niet. Het is primair aan eiser om deze band te onderbouwen. Eiser heeft in dit kader aangegeven dat hij een goede band had met zijn stiefzoon, maar dat hij hem op dit moment niet kan zien door toedoen van zijn ex. Hij heeft aangegeven dat hij hoopt dat dit in de toekomst zal veranderen. Alleen al omdat hij op dit moment geen contact heeft met zijn stiefzoon en er geen concrete aanwijzingen zijn dat dit op korte termijn zal veranderen – om welke reden dan ook – heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eiser en zijn stiefzoon.
Privéleven
8. Bij de vraag of sprake is van beschermenswaardig privéleven, dient verweerder alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken en dient hij deze tot uitdrukking te brengen in een belangenafweging. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en de hoogste bestuursrechter volgt dat er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds, zoals door verweerder verwoord in het bestreden besluit. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden die voor de belangenafweging van betekenis zijn kenbaar worden betrokken. De rechtbank moet vol toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en moet de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend toetsen.
Verweerder heeft in eisers voordeel gewogen dat eiser werk in Nederland heeft en daardoor belasting betaalt. Ook is meegewogen dat hij wordt gezien als een zeer gewaardeerde collega, die door als vriend of zelfs familielid wordt beschouwd. Dat verweerder slechts de omstandigheden in eisers nadeel heeft betrokken volgt de rechtbank dus niet. Daartegenover weegt verweerder zwaar in eisers nadeel dat hij kort in Nederland heeft gewoond in verhouding tot zijn verblijf in Algerije. Verweerder mocht vinden dat de omstandigheden die in zijn voordeel wegen en eisers wens om zijn sociale leven in Nederland voort te zetten onvoldoende zijn om de oordelen dat sprake is van zodanig banden met Nederland dat het onthouden van een verblijfsvergunning strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM gelet op zijn privéleven. Verweerder mocht daarbij betrekken dat eiser ook in Algerije weer kan werken, daar sociale contacten kan aangaan en vanuit Algerije zijn sociale contacten in Nederland kan blijven onderhouden. Van een onjuiste of onvolledig gemaakte belangenafweging is dan ook geen sprake.
Mocht verweerder vinden dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat van beleid moet worden afgeweken?
9. In dit kader heeft eiser zich op dezelfde omstandigheden beroepen als in het kader van artikel 8 van het EVRM. Op grond van de overwegingen die leiden tot het oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM mocht verweerder ook vinden dat er geen sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden die maken dat hij van de beleidsregels had moeten afwijken.
Mocht verweerder afzien van horen?
10. Weliswaar is het horen in bezwaar een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure – zeker in zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt – maar verweerder heeft hier van het horen mogen afzien, nu er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar tot een ander besluit kunnen leiden. Hierbij overweegt de rechtbank dat in rechte vast staat dat eiser niet minimaal vijf jaar met een verblijfsvergunning bij zijn inmiddels ex-partner in Nederland heeft gewoond, waardoor hij niet voldoet aan een van de voorwaarden voor een voortgezet verblijf. Verweerder mocht betrekken dat een hoorzitting niet kan maken dat eiser wel aan deze voorwaarde zou voldoen. Verder blijkt niet – mede zoals volgt uit rechtsoverweging 7 tot en met 9 – dat het beeld dat verweerder had bij het nemen van het besluit in het kader van artikel 8 van het EVRM of de hardheidsclausule incompleet of onjuist was, waardoor verweerder eiser voor het nemen van het bestreden besluit had moeten horen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Het beroep is dus ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit blijft staan.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
13. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.