ECLI:NL:RBDHA:2025:27133

ECLI:NL:RBDHA:2025:27133

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-11-2025
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer NL25.13374
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Aanvraag verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd. Vrijstellen mvv-vereiste. Hoorplicht. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Orhan),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. in den Bosch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de heer [referent] (partner van eiseres en tevens referent), de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres heeft op 21 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie of gezinslid’ om bij haar Nederlandse echtgenoot (referent) te verblijven.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Eiseres heeft familieleven met referent. Verweerder heeft een belangenafweging in het kader van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn gemaakt en heeft die in het nadeel van eiseres laten uitvallen. Verder is geen sprake van privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ook geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

Wat vindt eiseres in beroep?

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor – kort gezegd –de volgende argumenten. Eiseres meent vrijgesteld te moeten worden van het mvv-vereiste nu er sprake is van bijzondere omstandigheden. Ook vindt eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 8 van het EVRM. Tot slot vindt eiseres dat verweerder niet van horen mocht afzien.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Had verweerder eiseres moeten vrijstellen van het mvv-vereiste?

6. Uit artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. De vreemdeling kan hier onder andere van worden vrijgesteld als de uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM of het vasthouden aan het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Dat laatste wordt ook wel de hardheidsclausule genoemd. De rechtbank overweegt dat verweerder kon afzien van het toepassen van deze vrijstellingsgronden. Hieronder motiveert de rechtbank waarom.

Artikel 8 van het EVRM

Voor zover eiseres stelt dat vasthouden aan het mvv-vereiste een strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank dat zij niet heeft aangegeven waarom het bestreden besluit in strijd zou zijn met deze bepaling. Daar komt bij dat uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de bestuurlijke procedure naar voren heeft gebracht, de rechtbank niet kan afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding te overwegen dat het vasthouden aan het mvv-vereiste een strijd zou opleveren met artikel 8 van het EVRM. Verweerder mocht dus afzien van het toepassen van deze vrijstellingsgrond.

Hardheidsclausule en Gezinsherenigingsrichtlijn

Voor wat betreft eventuele strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn en het toepassen van de hardheidsclausule in zaken waarin gezinshereniging een rol speelt geldt het volgende. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat het mvv-vereiste op zichzelf niet in strijd is met het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn, en met het Unirechtelijk evenredigheidsbeginsel. Echter volgt uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat gezinshereniging de algemene regel is, waardoor verweerder zijn beoordelingsruimte niet op zo'n manier mag gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging, en aan het nuttig effect daarvan. Wanneer een vreemdeling bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden aanvoert, die wellicht op zichzelf genomen niet voldoende zijn voor vrijstelling van het mvv-vereiste, maar in combinatie met de omstandigheid dat die vreemdeling aan alle materiële vereisten voldoet er wel toe kunnen leiden dat het verder zou gaan dan noodzakelijk is indien verweerder vast zou houden aan het mvv-vereiste. Concreet betekent dit dat indien de vreemdeling dergelijke feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste, moet verweerder beoordelen of het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste indien die vreemdeling daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. Verweerder moet al deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang beoordelen. Indien verweerder vervolgens tot de conclusie komt dat vasthouden aan het mvv-vereiste in zo'n geval inderdaad onevenredig bezwarend zou zijn, zal hij vervolgens toekomen aan de vraag of die vreemdeling ook daadwerkelijk aan alle materiële vereisten voldoet. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, zal verweerder die vreemdeling, onder toepassing van de hardheidsclausule, vrij moeten stellen van het mvv-vereiste. De vraag of een vreemdeling aan alle materiële vereisten voor gezinshereniging voldoet kan in zo'n geval dus niet pas aan de orde komen nadat de staatssecretaris de vreemdeling heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste, maar speelt al een rol bij de beantwoording van de vraag of die vreemdeling van dat vereiste moet worden vrijgesteld.

In de bestuurlijke fase heeft eiseres als bijzondere omstandigheden die maken dat zij vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste de verslechterde relaties tussen Iran en het Westen genoemd en de omstandigheid dat eiseres is gehuwd met een niet-moslim. Ter zitting heeft eiseres zich ook beroepen op de situatie van vrouwen in Iran en de algemene veiligheidssituatie in Iran en de problemen die dit veroorzaakt bij het moeten bezoeken van een ambassade. Zoals verweerder terecht in het bestreden besluit en ter zitting heeft aangegeven betreffen dit voor een deel asielgerelateerde aspecten. Op grond van paragraaf B1/4.1.4 van de Vc past verweerder de hardheidsclausule niet toe als er alleen sprake is van asielgerelateerde gronden. Deze moeten in beginsel in een asielprocedure worden beoordeeld. Verweerder is slechts gehouden om in een reguliere procedure als de onderhavige de asielgerelateerde gronden te betrekken en van invloed te laten zijn op zijn besluitvorming in situaties waarin uit het dossier dan wel het door de vreemdeling aangevoerde direct en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat er sprake is van een risico op refoulement. In deze procedure volgt uit de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet direct en zonder diepgaand onderzoek dat er sprake is van een refoulementrisico bij terugkeer naar Iran. Daarvoor is namelijk meer onderzoek nodig die in een aparte asielprocedure beoordeelt dient te worden. Het staat eiseres vrij een asielaanvraag in te dienen. Verweerder had dus de asielgerelateerde gronden niet hoeven te betrekken en van invloed te laten zijn op zijn besluitvorming. Met betrekking tot de gestelde problemen als het gaat om toegang tot een ambassade in Iran stelt de rechtbank voorop dat eiseres deze problemen niet heeft onderbouwd, maar bovendien valt niet in te zien, waarom zij – indien van deze problemen zou worden uitgegaan – niet naar ambassades in omliggende landen zou kunnen gaan. Het standpunt van eiseres ter zitting dat het vanwege de gespannen situatie in het Midden-Oosten niet mogelijk is om naar andere ambassades uit te wijken, vindt de rechtbank onvoldoende. Nu er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft verweerder kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule.

Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?

7. Ten slotte is in geschil of verweerder heeft kunnen afzien van het horen in bezwaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiseres is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift slechts een herhaling van zetten gegeven en heeft haar bezwaar niet nader onderbouwd. Ook heeft de gemachtigde van eiseres in bezwaar niet verduidelijkt wat eiseres bij een eventueel nader gehoor nog hadden willen toelichten. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiseres mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

9. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.I.H. Kerstens-Fockens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?