RECHTBANK Den Haag
Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/696615 / KG ZA 25-1274
Tussenvonnis in kort geding van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. M.N. Landzaad,
tegen
1. DERIBIT FZE te Dubai (Verenigde Arabische Emiraten),2. DRB PANAMA INC. te Panama City (Panama),
gedaagden.
1. De procedure
Op 23 december 2025 heeft de advocaat van eiser onder toezending van een conceptdagvaarding met producties de voorzieningenrechter verzocht om een datum te bepalen voor een kort geding. Hierbij heeft eiser op de voet van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gevorderd om, voor de duur van het kort geding een (voorlopige) voorziening te treffen.
2. De beoordeling
Eiser stelt en beschrijft in zijn conceptdagvaarding dat hij in Nederland het slachtoffer is geworden van (crypto)fraude. Hij voert aan dat hij (crypto)activa ter beschikking heeft gesteld aan de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) om het te beleggen op de cryptobeurs van gedaagden. Eiser legt aan de door hem gevorderde voorlopige voorziening ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig handelen indien zij nalaten de accounts van [naam 1] te bevriezen, omdat zij daarmee faciliteren dat eiser het slachtoffer wordt van fraude. Gelet hierop is de voorzieningenrechter op grond van artikel 6e Rv bevoegd om van de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening kennis te nemen, omdat het schadebrengende feit zich mede heeft voorgedaan in Nederland.
Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat [naam 1] en/of aan hem gelieerde vennootschappen, zoals vermeld in de conceptdagvaarding, activa van eiser hebben belegd bij gedaagden waarbij telkens de afspraak is gemaakt dat de betreffende accounts feitelijk van eiser zijn, maar niet op zijn naam staan en dat eiser de gelden te allen tijde uit het account kan opnemen. Verder heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat [naam 1] niet aan zijn verzoek tot terugbetaling van de activa heeft voldaan. Op basis van de door eiser overgelegde verklaring van [naam 2] , legal counsel van (een van) gedaagden, gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat gedaagden zonder een rechterlijke veroordeling niet bereid zijn om de accounts van [naam 1] en de aan hem gelieerde vennootschappen te bevriezen en dat zij ook niet hebben toegezegd om het bevriezingsverzoek van eiser geheim te houden, terwijl één van de bij de (gestelde) fraude betrokken vennootschappen gelieerd is aan gedaagden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het daarmee voorshands voldoende aannemelijk dat eiser een vordering heeft op [naam 1] terzake de activa op de bij gedaagden aangehouden accounts en dat er een risico bestaat dat [naam 1] via gedaagden van dit kort geding op de hoogte raakt en vervolgens de activa aan die accounts onttrekt. Gelet hierop bestaat voldoende grond voor toewijzing – bij wijze van voorlopige maatregel in dit kort geding – van het bevel om de accounts van [naam 1] en de aan hem gelieerde vennootschappen te bevriezen, zonder gedaagden voorafgaand te horen. In het verlengde daarvan is ook het verbod om [naam 1] en de aan hem gelieerde vennootschappen vooraf in kennis te stellen van de bevriezing toewijsbaar.
De vordering om gedaagden te bevelen aan de advocaat van eiser kenbaar te maken op welke dag en tijdstip de bevriezing dan wel schorsing van rechten is ingegaan, welke soort en kwantiteit activa door de maatregel zijn getroffen en om de naam het adres van de entiteit(en) bekend te maken door wie de activa worden aangehouden, wordt afgewezen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij die vordering een zodanig spoedeisend belang heeft dat hij daarvoor de behandeling van het kort geding niet kan afwachten.
De termijn waarbinnen gedaagden de accounts moeten bevriezen wordt zoals gevorderd bepaald op vier dagen nadat eiser dit vonnis en een Engelse vertaling ervan heeft toegezonden aan gedaagden op de in de conceptdagvaarding vermelde e-mailadressen.
Deze voorlopige voorziening geldt alleen voor de duur van dit kort geding en mag naar haar aard niet te lang duren. Eiser moet daarom 1) gelijktijdig met de toezending van dit vonnis onder toezending van de conceptdagvaarding verhinderdagen opvragen bij gedaagden; 2) vervolgens binnen een week nadien de voorzieningenrechter om een datum voor de mondelinge behandeling verzoeken en 3) binnen twee dagen na ontvangst van de dagbepaling hiervan (per e-mail aan de bekende adressen) mededeling doen aan gedaagden. Doet eiser dat niet, dan verliest de voorlopige voorziening haar werking.
De op te leggen voorziening wordt versterkt met een dwangsom. De dwangsom wordt gematigd en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
beveelt gedaagden binnen vier dagen nadat eiser dit vonnis, alsmede de Engelse vertaling daarvan, aan gedaagden ter kennis heeft gebracht door toezending aan de e-mailadressen [e-mailadres 1] , [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] om voor de duur van dit kort geding de accounts van [naam 1] , geboren op [geboortedatum] 1983 en woonachtig te [woonplaats 2] , Nova-Dox LLC, een vennootschap naar het recht van Saint Vincent en de Grenadines en Criptomart Diseño Grafico SL, een vennootschap naar het recht van Spanje, te bevriezen dan wel de rechten van de gebruiker(s) om met het account transacties te verrichten te schorsen;
verbiedt gedaagden om de onder 3.1 genoemde gebruikers vooraf van deze maatregel in kennis te stellen;
bepaalt dat de voorzieningen onder 3.1 en 3.2 hun werking verliezen indien eiser NIET:
gelijktijdig met de toezending van dit vonnis aan gedaagden bij hen verhinderdagen heeft opgevraagd;
de voorzieningenrechter niet uiterlijk een week na het opvragen van de verhinderdagen om een datum voor de mondelinge behandeling heeft verzocht;
binnen twee dagen na ontvangst van de dagbepaling hiervan (per e-mail aan de bekende adressen) mededeling heeft gedaan aan gedaagden.
veroordeelt gedaagden om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100.000,00 indien zij niet aan de veroordelingen onder 3.1 en 3.2 voldoen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.
WJ