[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. K.A. van Iwaarden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 30 juli 2025 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser stelt dat hij door twee politieagenten genaamd [naam 1] en [naam 2] is gevraagd om hen te helpen maar dit heeft geweigerd. Daarom hebben deze politieagenten hem lastiggevallen, mishandeld, op zijn familie geschoten en geprobeerd zijn kind te ontvoeren. Eiser denkt dat zij dit weer zullen doen als hij terug zou keren naar Georgië of dat hij in de gevangenis zal belanden. Eiser kan daarom niet terug.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief); en
2. eisers problemen met [naam 1] en [naam 2] (ook wel het tweede asielmotief).
Verweerder vindt eisers eerste asielmotief geloofwaardig. Dat eiser uit Georgië komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Georgië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het tweede asielmotief wordt door verweerder niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Verweerder heeft in het kader van efficiëntie direct getoetst of het tweede asielmotief – indien het geloofwaardig zou worden geacht – aanleiding zou geven tot het verlenen van een asielvergunning (de zwaarwegendheidstoets). Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser de mogelijkheid heeft om naar de Georgische autoriteiten te stappen, dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij niet geholpen kan worden, dat elke burger in Georgië een klacht in kan dienen over het functioneren van de politie, dat er in Georgië een anti-corruptiebureau is, dat eiser in zijn district een melding kan doen van corruptie bij de officier van justitie en dat eiser zich van de gestelde problemen kan onttrekken door ergens anders in Georgië te wonen en/of verblijven (vestigingsalternatief) en uit de verklaringen niet blijkt dat hij dit geprobeerd heeft. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft eisers aanvraag tenslotte afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt. Aan eiser is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Verweerder mocht niet afwijken van de wettelijke toetsingsvolgorde en had voor het tweede asielmotief eerst moeten beoordelen of deze geloofwaardig is. Ook mocht verweerder er niet van uit gaan dat eiser bescherming in kan roepen bij de (hogere) autoriteiten, nu de betreffende politieagenten afkomstig zijn van of gelieerd zijn aan een hoge politicus en Georgië volgens de Verenigde Naties nog altijd in de top-10 zit van meest corrupte landen ter wereld. Tot slot vindt eiser dat er geen grond is voor het opleggen van een inreisverbod van twee jaar. Het gaat hier om een eerste asielaanvraag, er is geen sprake van misbruik van het proces en de eerdere detentie van eiser is ook geen reden om dit inreisverbod op te leggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft eiser procesbelang bij de behandeling van zijn zaak?
5. Bij brief van 9 december 2025 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij op 2 december 2025 is aangetroffen in Kroatië. Gelet daarop ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft.
Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat zolang de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling, ervan uit mag worden gegaan dat hij of zij belang heeft bij de procedure om een verblijfsrecht in Nederland te krijgen. Dit is alleen anders als er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij of zij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een verblijf van de vreemdeling in het buitenland. Echter, niet onder alle omstandigheden betekent een verblijf buiten Nederland dat het procesbelang is komen te vervallen. Een vreemdeling kan daarvoor immers een goede reden hebben, bijvoorbeeld in de situatie dat hij geen recht meer heeft op opvangvoorzieningen in Nederland en dat hij om die reden bij familie of bekenden elders in de EU verblijft zonder dat hij in die andere lidstaat om bescherming heeft gevraagd. De bestuursrechter zal dus, als er concrete aanknopingspunten zijn als hiervoor bedoeld terwijl de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling, eerst bij de gemachtigde van de vreemdeling navraag moeten doen naar de relevante feiten en omstandigheden alvorens te concluderen dat het procesbelang ontbreekt. Het is niet aan de vreemdeling of zijn gemachtigde om uit eigen beweging informatie te verstrekken over de aard of frequentie van hun contact. Als de gemachtigde van de vreemdeling daarentegen binnen een daartoe gestelde redelijke termijn de door de bestuursrechter voor de beoordeling van het procesbelang gevraagde informatie niet verstrekt, mag de bestuursrechter ervan uitgaan dat die vreemdeling geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep of hoger beroep.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te oordelen dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn zaak. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting laten weten dat hij ruim twee weken geleden nog contact heeft gehad met eiser. Zijn gemachtigde heeft hem toen laten weten dat hij naar de zitting moest komen en hij heeft van eiser geen opdracht gekregen om de zaak in te trekken. Hieruit volgt dus dat er nog recent contact is geweest met eiser over de behandeling van zijn zaak op zitting. Van belang is ook dat de gemachtigde van eiser op zitting is verschenen. De door verweerder genoemde omstandigheden ter zitting – namelijk dat eiser in het buitenland is aangetroffen en dat hij zich daarna niet meer heeft gemeld bij verweerder – maken dit niet anders. De hoogste bestuursrechter heeft al geoordeeld dat het (eventuele) vertrek van een vreemdeling naar het buitenland, dat de vreemdeling zich niet meer heeft gemeld bij verweerder en dat hij niet ter zitting is verschenen, op zichzelf onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft.
6. Het voorgaande maakt dat er sprake is van een ontvankelijk beroep. Gelet daarop zal de rechtbank inhoudelijk beoordelen of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Mocht verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede asielmotief overslaan?
7. De rechtbank overweegt dat verweerder niet verplicht is om altijd eerst een geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten voordat hij een standpunt inneemt over de zwaarwegendheid. De hoogste bestuursrechter heeft eerder geoordeeld dat een dergelijke werkwijze in zijn algemeenheid niet in strijd is met een wettelijke bepaling of nationale en Unierechtelijke standaarden. Wel moet verweerder bij het toepassen hiervan de waarborgen in acht nemen om ervoor te zorgen dat besluiten die volgens deze werkwijze zijn genomen zorgvuldig worden voorbereid en deugdelijk worden gemotiveerd. Het is niet gebleken dat eiser door het hanteren van deze werkwijze is benadeeld of zijn belangen is geschaad, of dat verweerder de waarborgen niet in acht zou hebben gehouden. Verweerder heeft een aanmeldgehoor en een nader gehoor gehouden waarin eiser uitgebreid heeft kunnen verklaren over zijn asielmotieven. Deze verklaringen heeft verweerder expliciet betrokken in het bestreden besluit. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende toegelicht dat deze werkwijze niet tot gevolg heeft dat er geen beoordeling van eventueel vluchtelingschap of ernstige schade plaatsvindt. Die beoordeling heeft namelijk wel plaatsgevonden. Het voorgaande maakt dan ook dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling voor het tweede asielmotief mocht overslaan.
Mocht verweerder vinden dat het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend is?
8. In de beroepsgronden en ter zitting heeft eiser nog (in aanvulling) gesteld dat de politieagenten waarvoor hij vreest afkomstig zijn van of gelieerd zijn aan de hoogste autoriteiten, nu deze politieagenten werkzaam zouden zijn voor een hoge politicus. In antwoord op de vraag ter zitting over waarom eiser dit niet in de gehoren heeft verklaard, is namens eiser geantwoord dat hij in zijn zienswijze heeft verwezen naar de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van zijn neef/broer, waar de link tussen de politieagenten en de hoogste autoriteiten wel gesteld is. Wat hiervan ook mogen zijn, verweerder heeft aan eiser ook tegengeworpen dat hij een vestigingsalternatief in Georgië heeft om zich te kunnen onttrekken aan de problemen met [naam 1] en [naam 2] . Daartegen heeft eiser geen gronden gevoerd. De door eiser genoemde omstandigheden in het nader gehoor over waarom hij zich niet elders – dus buiten Tbilisi – kan vestigen, zijn onvoldoende om te oordelen dat verweerder het vestigingsalternatief niet aan eiser had kunnen tegenwerpen. Hij heeft immers slechts aangegeven dat zijn leven in Tbilisi was en dat hij daar werk en kinderen had en dat hij niet weet of dat hij ergens anders had kunnen wonen. Niet valt in te zien waarom eiser wel alles kan achterlaten om in Nederland te wonen, maar niet zich niet in een ander deel van Georgië zou kunnen vestigen. Alleen al hierom heeft verweerder het asielrelaas van eiser terecht onvoldoende zwaarwegend mogen vinden en heeft hij de aanvraag daarom mogen afwijzen.
Mocht verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opleggen?
9. Aan eiser is geen vertrektermijn gegund omdat zijn aanvraag is afgedaan als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen deze afdoeningswijze geen gronden gevoerd. Gelet op deze afdoeningswijze was verweerder gehouden aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. De omstandigheden die eiser noemt – namelijk dat hier sprake is van een eerste asielaanvraag en dat er geen sprake is van misbruik van recht – zijn niet relevant en kunnen niets aan het voorgaande afdoen. De eerdere detentie is, zoals verweerder terecht op zitting heeft gesteld, niet ten grondslag gelegd aan het uitvaardigen van het inreisverbod. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand.
11. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.