[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 december 2024 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor deze aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Volgens hem is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Ten eerste had verweerder tijdens het gehoor meer moeten doorvragen over eisers eerdere situatie in Frankrijk, te weten dat hij daar eerder geen opvang en medische hulp kreeg, dat hij daardoor ziek was en in het park moest slapen. Ten tweede heeft verweerder een standaardvoornemen gebruikt en is op het voorgaande in het geheel niet ingegaan. Eiser verwijst daarbij naar een aantal uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank. Tot slot stelt eiser dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij de behandeling van de asielaanvraag niet naar zich toetrekt.
5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de besluitvorming voldoende zorgvuldig (voorbereid)?
Doorvragen tijdens aanmeldgehoor
6. Uit het aanmeldgehoor blijkt dat eiser – op een vraag van verweerder – heeft verklaard dat hij in Frankrijk geen opvang en medische hulp kreeg, waardoor hij nog meer ziek werd en op straat of in het park ging slapen. Op verweerders vraag of hij nog andere bezwaren heeft tegen overdracht naar Frankrijk, heeft eiser ontkennend geantwoord. Eiser heeft tegenover verweerder bevestigd dat hij zo al zijn bezwaren bekend heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende in staat is gesteld om zijn bezwaren tegen overdracht naar Frankrijk kenbaar te maken. Eisers beroepsgronden op dit punt slagen dus niet. Daar komt bij dat eiser hierdoor niet is benadeeld nu hij de gelegenheid heeft gehad om een en ander ook in de zienswijze naar voren te brengen.
Motivering van het (standaard)voornemen en het bestreden besluit
De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat verweerder het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Verweerder heeft in het voornemen voldoende duidelijk uiteengezet op welke grond Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarin staat ook dat enkel medische omstandigheden geen reden vormen om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank ook van belang dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. . Bovendien volgt uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter dat een standaardvoornemen wel aan de vereisten kan voldoen. Eiser heeft voldoende mogelijkheid gehad om op het voornemen te reageren in de zienswijze. Verder is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Daarbij is verweerder ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Verweerder heeft daarbij, anders dan eiser stelt, ook gemotiveerd waarom zij geen gebruik maakt van de bevoegdheid de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe te trekken. Eisers beroepsgronden op dit punt slagen evenmin. De andersluidende jurisprudentie waar eiser naar heeft verwezen, wordt door deze rechtbank dan ook niet gevolgd.
Had verweerder voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mogen gaan?
7. Verweerder mag, zoals volgt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, in beginsel wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk uitgaan. Niet is aannemelijk gemaakt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Daar komt bij dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen. Daarmee garanderen de Franse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Als eiser toch problemen ondervindt met het krijgen van opvangvoorzieningen of andere problemen, kan hij hiervoor haar beklag doen bij de daartoe geëigende instanties dan wel bij de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht in dit geval dus voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.
Had verweerder de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe moeten trekken?
8. Verweerder heeft terecht overwogen dat de medische omstandigheden van eiser geen reden zijn om hem niet over te dragen aan Frankrijk op grond van artikel 17 van de Dublinverordering.. Niet aannemelijk is geworden dat Nederland het meest aangewezen land is voor de behandeling en op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er van uit worden gegaan dat Frankrijk dezelfde medische behandelmogelijkheden heeft als in Nederland.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de
rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U
moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is
verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw
verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.