ECLI:NL:RBDHA:2025:27139

ECLI:NL:RBDHA:2025:27139

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-02-2025
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer NL24.51635 (beroep) en NL24.51636 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Niet in behandeling nemen asielaanvraag (Dublin-procedure). Spanje. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

mede namens haar minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] en [minderjarige 2]

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. T. Thissen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 december 2024 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor deze aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting

2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1983 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.

Wat vinden eisers in beroep?

4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is gemotiveerd Van belang is dat eisers niet met de door de Spaanse autoriteiten afgegeven visa het Schengengrondgebied zijn ingereisd, nu hun paspoorten met daarin deze visa waren gestolen. Ze zijn met behulp van andere paspoorten, zonder de Spaanse visa, ingereisd. Verder stelt eiseres dat overdracht naar Spanje slecht is voor haar kinderen en de situatie in Spanje – vanwege eerdere ervaringen – niet goed is. Tot slot stellen eisers dat verweerder een standaardvoornemen gebruikt en is op voorgaande bezwaren van eisers tegen overdracht in het geheel niet ingegaan. Eisers verwijzen daarbij naar een aantal uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Is de besluitvorming voldoende zorgvuldig (voorbereid)?

5. Verweerder heeft in het voornemen voldoende duidelijk uiteengezet op welke grond Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Daarin staat ook dat enkel de verklaringen over wat eisers in Spanje hebben meegemaakt en de situatie in Spanje geen redenen vormen om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank ook van belang dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Bovendien volgt uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter dat een standaardvoornemen wel aan de vereisten kan voldoen. Eiseres heeft voldoende mogelijkheid gehad om op het voornemen te reageren in de zienswijze. Verder is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Daarbij is verweerder ingegaan op de verklaringen van eiseres tijdens het aanmeldgehoor en wat zij in de zienswijze heeft aangevoerd. Verweerder heeft daarbij, anders dan eisers stellen, ook gemotiveerd waarom zij geen gebruik maakt van de bevoegdheid de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe te trekken. De beroepsgronden van eisers op dit punt slagen dus niet. De andersluidende jurisprudentie waar eisers naar hebben verwezen, wordt door deze rechtbank niet gevolgd.

Had verweerder Spanje als primair verantwoordelijke lidstaat mogen aanmerken?

6. Uit artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat de lidstaat die aan de vreemdeling een visum heeft afgegeven, verantwoordelijk is om de asielaanvraag in behandeling te nemen, tenzij dit visum namens een andere lidstaat is afgegeven. Uit EU-VIS blijkt dat Spanje aan eisers een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 20 maart 2023 tot 19 maart 2025, wat betekent dat het visum nog geldig was op het moment van de asielaanvraag in Nederland. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij geen gebruik hebben gemaakt van dit visum voor hun inreis in het Schengengrondgebied. De enkele stelling van eisers in beroep dat hun paspoorten met daarin de visa waren gestolen waardoor ze nieuwe reisdocumenten moeten laten maken en op een alternatieve wijze moesten vluchten, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Verweerder mocht er dus van uit gaan dat de informatie in EU-VIS juist is en heeft daarom terecht aan Spanje verzocht eisers over te nemen, waarmee de Spaanse autoriteiten akkoord zijn gegaan. Dat maakt dat verweerder Spanje als primair verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van de asielaanvraag mocht aanmerken. Dat verweerder ergens in het bestreden besluit heeft opgenomen “dat de verantwoordelijkheid van Duitsland vast staat” is slordig maar de rechtbank merkt dit aan als een kennelijke verschrijving. Eisers zijn hierdoor niet in hun belangen geschaad, nu uit het bestreden besluit verder duidelijk blijkt dat het om Spanje gaat. De beroepsgronden van eisers op dit punt slagen dus niet.

Had verweerder voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mogen gaan?

7. Verweerder mag, zoals volgt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, in beginsel wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje uitgaan. Niet is aannemelijk gemaakt dat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen. Daar komt bij dat de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eisers in behandeling zullen nemen. Daarmee garanderen de Spaanse autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Verweerder mag er daarom van uit gaan dat de kinderen van eiseres in Spanje de zorg krijgen die zij eventueel nodig hebben. Als eiseres toch problemen ondervindt met het krijgen van opvangvoorzieningen of bij andere problemen, kan zij hiervoor haar beklag doen bij de daartoe geëigende instanties dan wel bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor haar niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht in dit geval dus van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.

Had verweerder de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe moeten trekken?

8. Verweerder heeft terecht overwogen dat de medische omstandigheden van eiseres en haar kinderen geen reden is om hen niet over te dragen aan Spanje op grond van artikel 17 van de Dublinverordering. Zo hebben eisers geen medische documenten overgelegd en zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor een eventuele medische behandeling. Daarbij is van belang dat er, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, van uit mag worden gegaan dat Spanje dezelfde medische behandelmogelijkheden heeft als in Nederland. De gestelde belangen van de kinderen maken niet dat de asielprocedure in Nederland moet worden doorlopen. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat de kinderen ook in Spanje naar school kunnen gaan en dat Spanje – zoals al in rechtsoverweging 7 is overwogen – haar internationale verdragsverplichtingen nakomt en eiseres bij eventuele problemen de daarvoor geschikte instanties kan benaderen.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

11. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de

rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U

moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is

verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw

verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?