ECLI:NL:RBDHA:2025:27140

ECLI:NL:RBDHA:2025:27140

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-02-2025
Datum publicatie 28-01-2026
Zaaknummer NL24.52133 (beroep) en NL24.52134 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Niet in behandeling nemen asielaanvraag (Dublin-procedure). Roemenië. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

mede namens haar minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. S. Oukil),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 30 december 2024 niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting

2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1984 en de Syrische nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat Roemenië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.

Wat vinden eisers in beroep?

4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Met verwijzing naar landeninformatie stellen eisers dat verweerder voor Roemenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan, nu daaruit zou volgen dat ook Dublinclaimanten worden onderworpen aan pushbacks. Verder stellen eisers dat verweerder de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe had moeten trekken, nu zij familie in Nederland hebben. Het is volgens eiseres ook in het belang van de kinderen dat zij bij hun familie blijven.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Had verweerder voor Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mogen gaan?

5. Verweerder mag, zoals volgt uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter (de Afdeling), in beginsel wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië uitgaan. Hierbij overweegt de rechtbank dat de Afdeling de door eisers aangehaalde passage in het AIDA-rapport, waarin melding wordt gemaakt van overbrengingen van Dublinclaimanten op grond van de overnameovereenkomst vanuit Roemenië naar Servië, al expliciet heeft betrokken in haar oordeel dat verweerder voor Roemenië (nog steeds) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In de betreffende passage in het AIDA-rapport wordt verwezen naar een rapport van KlikActiv. De Afdeling heeft doorslaggevend gevonden dat niet is onderbouwd dat de vreemdeling uit dat onderzoek daadwerkelijk een asielaanvraag had ingediend waarop nog niet was beslist, dat het rapport alleen is gebaseerd op verklaringen van vreemdelingen en niet is gebleken dat deze verklaringen zijn gecontroleerd of door andere bronnen worden bevestigd. Ook biedt het rapport geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de overnameovereenkomst tussen de Europese Unie en Servië ten onrechte op vanuit andere lidstaten aan Roemenië overgedragen Dublinclaimanten wordt toegepast, zonder dat zij de kans krijgen om een asielaanvraag in te dienen en de behandeling daarvan af te wachten. Daarbij is betrokken dat vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend, niet vallen onder deze overnameovereenkomst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige behandeling, waardoor niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag worden gegaan.

Had verweerder de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe moeten trekken?

6. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van het gestelde neefje van eiseres en de gestelde ooms haar dochter in Nederland geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat op grond van artikel 17 van de Dublinverordening zou moeten worden afgezien van overdracht naar Roemenië. Daarbij is terecht betrokken dat de gestelde familiebanden niet zijn onderbouwd, dat deze familieleden niet zijn aan te merken als gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening en dat eiseres en haar dochter zelf hebben aangegeven niet bij deze familieleden willen verblijven. Dat het in het belang van de kinderen zou zijn om bij hun familie in Nederland te blijven, is niet aannemelijk gemaakt. Evenmin is gebleken dat het voor hun welzijn en sociale ontwikkeling noodzakelijk is om de asielprocedure in Nederland te doorlopen. Gelet op het voorgaande had verweerder de asielaanvraag niet naar zich toe hoeven trekken.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

9. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de

rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U

moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is

verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw

verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?