[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F.H. Kamminga).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor het voorhanden hebben van een geluiddemper.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. Namens eiser is J.A. Oosterveen verschenen als deskundige.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser beschikt over een geldige Nederlandse jachtakte waarop diverse vuurwapens staan vermeld die geschikt zijn voor jacht- en schadebestrijding. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een ontheffing voor het gebruik en voorhanden houden van een geluiddemper.
3. Verweerder heeft advies gevraagd aan de korpschef van de Nationale Politie. Die heeft in zijn advies van 14 september 2023 geadviseerd de ontheffing te weigeren. Volgens de korpschef levert het gebruik van een geluiddemper in het buitenland geen redelijk belang op om een geluiddemper in Nederland voor handen te mogen hebben. Op 22 november 2023 heeft verweerder aan eiser laten weten dat hij het voornemen heeft zijn aanvraag af te wijzen. Eiser heeft op dit voornemen zijn zienswijze gegeven. Met het besluit van 24 januari 2025 heeft verweerder vervolgens de aanvraag afgewezen omdat geen sprake is van een redelijk belang.
4. Verweerder heeft vervolgens het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens verweerder biedt artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e van de Wet wapens en munitie (Wwm) hem de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen voor het doen binnenkomen, vervoeren en voorhanden hebben van een geluiddemper voor onder andere beroepsdoeleinden en daarvan is volgens verweerder uitsluitend sprake bij (betaalde) personeelsleden in dienst van een natuurorganisatie die zich bezig houdt met (wild)beheer en schadebestrijding, in een onder het beheer vallend natuurgebied. De minister wijst op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zijn gevoerde beleid niet onredelijk is. Omdat eiser niet werkzaam in bij een natuurorganisatie zoals hiervoor genoemd, valt hij niet onder categorie waarvoor een ontheffing kan worden verleend.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser meent dat hij als professioneel beroepsjager aanspraak zou moeten kunnen maken op een ontheffing voor het voorhanden hebben van een geluiddemper vanwege beroepsdoeleinden. Hij zorgt in opdracht van diverse natuurorganisaties en een tal van boeren in de omgeving van de Krimpenerwaard in Nederland voor de ganzen- en rattenpopulatie en dat de vos beheersbaar blijft middels (wild)beheer en schadebestrijding. Eiser is ook internationaal als beroepsjager actief. Vooral in Duitsland en Frankrijk. Volgens eiser zou je op basis van zijn werkzaamheden kunnen zeggen dat er een directe arbeidsrelatie bestaat tussen hem en diverse internationale natuurorganisaties.
Eiser stelt dat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van personeelsleden in dienst van een natuurorganisatie die zich bezighouden met (wild)beheer. Hij heeft niet de mogelijkheid om een geluiddemper te gebruiken om onder andere zijn gehoor te beschermen, hij loopt hierdoor gezondheidsrisico’s. Eiser vindt dit oneerlijk en onrechtvaardig. In het provinciale faunabeleid is bovendien door de Provincie bepaald dat de geluiddemper een toegestaan middel is. Op zitting heeft eiser ook gewezen op de uitzonderingspositie van de jachtaktehouder, een positie die bij misbruik – samen met het jachtrecht en jachthouderschap – direct wordt afgenomen. Een jachtaktehouder kan het zich dat niet veroorloven en zal daarom geen misbruik maken van het gebruik van een geluiddemper.
Eiser verwijst naar het rapport “Ringen rond de roos” van de Commissie Wet wapens en munitie uit 2022 ten aanzien van het gebruik van een geluiddemper in de jachtpraktijk. In dat verband verwijst eiser ook naar een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant. Hieruit volgt volgens eiser dat het terughoudende beleid van verweerder ten aanzien van het toelaten van het gebruik van geluiddempers binnen de jachtpraktijk niet meer als zodanig kan worden toegepast.
Wat zijn de regels?
6. Artikel 2, eerste lid van de Wwm bepaalt welke voorwerpen gelden als wapen in de zin van deze wet en onder welke categorie deze wapens vallen. Geluiddempers voor vuurwapens zijn aangewezen als wapens van categorie I, onder 3 en het voorhanden hebben daarvan is op grond van artikel 13 van de Wwm verboden. Verweerder kan hiervoor gelet op artikel 4 van de Wwm ontheffing verlenen voor (onder andere) beroepsdoeleinden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. In geschil is of verweerder terecht heeft geweigerd ontheffing te verlenen van het wettelijk verbod op het gebruik en voorhanden hebben van een geluiddemper.
8. Een geluiddemper wordt gezien als wapen in categorie I in de Wwm en het voorhanden hebben daarvan is door de wet verboden. Volgens verweerder worden wapens in categorie I – zoals geluiddempers – door de wetgever als zeer ongewenst beschouwd. Om die reden wordt een zeer terughoudend beleid gevoerd om ontheffing van het genoemde wettelijk verbod te geven. Een ontheffing van het verbod om een geluiddemper voorhanden te hebben vanwege beroepsdoeleinden – wat hier aan de orde is – wordt uitsluitend verleend als het gaat om personeelsleden in dienst van een natuurorganisatie die zich bezighoudt met (wild)beheer en schadebestrijding in en onder het beheer van deze organisatie vallend natuurgebied. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld dat het door verweerdere invulling van het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm gestelde criterium ‘beroepsdoeleinden’ gestelde vereiste dat sprake moet zijn van een (betaald) dienstverband tussen de gebruiker van de geluiddemper en een organisatie die belast is met (wild)beheer en schadebestrijding niet onredelijk is.
9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om het oordeel van de Afdeling over de invulling die verweerder geeft aan het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm gestelde criterium ‘beroepsdoeleinden’ niet te volgen. Voorts stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser niet in dienst is van een natuurorganisatie die zich bezig houdt met (wild)beheer en schadebestrijding. Dit betekent dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wwm in dit geval geen grondslag biedt om de gevraagde ontheffing te verlenen en het verzoek daartoe in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.
10. Dat geluiddempers in andere Europese landen wel (meer) geaccepteerd zouden zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser verwijst naar de ontheffing aan de Faunabeheereenheid Zuid-Holland, waarin het gebruik van een geluiddemper expliciet wordt toegestaan. De rechtbank merkt op dat in deze ontheffing staat opgenomen dat het aan de gebruiker van het geweer zelf is om de noodzakelijke ontheffing voor het gebruik van een geluiddemper te regelen. Eiser heeft geen betaald dienstverband met de Faunabeheereenheid, hij kan daarom geen rechten ontlenen aan de ontheffing aan Faunabeheereenheid Zuid-Holland.
11. Verweerder heeft toegelicht dat het rapport “Ringen rond de roos” van de Commissie Wet wapens en munitie uit 2022 een advies betreft en geen bindende werking heeft. De rechtbank volgt verweerder dat dit rapport van een commissie die is aangesteld om de Wwm bij de tijd te brengen een advies is aan de regelgever. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan dit rapport dan ook niet de waarde worden gehecht zoals eiser dat wil.
12. Eiser heeft gesteld dat hij gehoorbeschadiging heeft en ook om die reden gebruik wil maken van een geluiddemper. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser zijn gehoor niet met andere middelen kan beschermen.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Beslissing
De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Hoeijmans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.