ECLI:NL:RBDHA:2025:27145

ECLI:NL:RBDHA:2025:27145

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-03-2025
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer NL25.1384 (beroep) en NL25.1385 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Niet in behandeling nemen asielaanvraag (Dublin-procedure). Oostenrijk. Procesbelang. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. D.H. Yabasun),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 januari 2025 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Conclusie en gevolgen

Geen zitting

2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2003 en de Turkse nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat, met verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2023), verweerder voor Oostenrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mocht gaan en dat Dublinclaimanten problemen ondervinden in de opvang en regelmatig gedetineerd worden. Verder is eiser in Oostenrijk mishandeld en kan hij niet klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten. Vanwege het voorgaande moet verweerder – op grond van artikel 17 van de Dublinverordening – de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe trekken.

Heeft eiser nog procesbelang bij zijn beroep?

5. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder heeft bij brief van 5 februari 2025 gemeld dat eiser volgens een melding van het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) met onbekende bestemming is vertrokken. Het is verweerder niet gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld. Op 12 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij wel in contact staat met cliënt en dat hij zich in Ter Apel zal melden.

6. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter (de Afdeling) volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.

7. Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden, kan er niet van uit worden gegaan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Gelet daarop zal de rechtbank het beroep van eiser inhoudelijk behandelen.

Mocht verweerder voor Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan en had zij de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe moeten trekken?

8. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter (de Afdeling) volgt dat verweerder voor Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat verweerder in beginsel er van mag uitgaan dat Oostenrijk zijn internationale verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht naar Oostenrijk, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Oostenrijkse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Hij heeft zijn stellingen niet onderbouwd en heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Oostenrijk. Daar komt bij dat de Oostenrijkse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen. Als eiser toch problemen ondervindt met het krijgen van opvangvoorzieningen of andere problemen, kan hij hiervoor zijn beklag doen bij de daartoe geëigende instanties dan wel bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Eisers enkele stelling dat hij hiertoe niet in staat is (geweest), is onvoldoende om hier aan af te doen. Verweerder mocht in dit geval dus voor Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat eiser geen andere relevante omstandigheden naar voren heeft gebracht, had verweerder de behandeling van de asielaanvraag dan ook niet naar zich toe hoeven trekken.

9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?