[verzoeker], V-nummer: [v-nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Inleiding
1. Bij besluit van 28 mei 2025 heeft verweerder verzoekers negende opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker volgens verweerder geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn voor deze aanvraag. Dit besluit staat in rechte vast. Dat geldt ook het niet honoreren van de eerste tot en met de achtste asielaanvraag.
In het voornemen van 17 juli 2024 heeft verweerder te kennen gegeven van plan te zijn om verzoekers tiende opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd weer niet-ontvankelijk te verklaren (het voornemen), omdat verzoeker ook bij deze aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen zou hebben aangevoerd de relevant kunnen zijn voor de aanvraag. Gelijktijdig met het voornemen heeft verweerder ook een besluit op grond van artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) genomen, waarin verweerder tot de conclusie is gekomen dat de uitzetting niet achterwege wordt gelaten.
Verzoeker heeft in reactie op het voornemen een zienswijze ingediend.
Op 7 augustus heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 17 augustus 2025 via Turkije (Istanbul) naar Gambia wordt uitgezet.
Verzoeker heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen deze uitzetting en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend met het doel niet op de geplande datum uit te worden gezet en de behandeling van zijn asielaanvraag in Nederland af te wachten.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft hierop gereageerd en daarop heeft verweerder weer gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op verzoekers aanvraag is nog niet beslist. Verweerder heeft bij kennisgeving van 7 augustus 2025 aan verzoeker medegedeeld dat hij op 17 augustus 2025 zal worden uitgezet naar Gambia. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bezwaar van verzoeker tegen de feitelijke uitzetting een redelijke kans van slagen heeft.
De mogelijkheid tot het maken van bezwaar op basis van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting, is beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van bezwaar mogelijk als de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. In dat geval moet een vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten opzichte van wat hij tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot die uitzetting voortvloeit heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren. Is wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw, dan wel niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden, tenzij zich een geval voordoet als beschreven in het arrest Bahaddar.
Verzoeker heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting kan worden uitgegaan. Dat verzoeker een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, betekent niet dat de uitzetting niet door kan gaan. Uit artikel 3.1, tweede lid, van het Vb volgt dat het indienen van een asielaanvraag tot gevolg heeft dat de uitzetting achterwege blijft, tenzij sprake is van één van de uitzonderingssituaties. Verweerder heeft op 17 juli 2025 een 3.1 Vb-besluit genomen waarin hij heeft overwogen dat de uitzetting niet achterwege blijft, omdat sprake is van één van deze uitzonderingssituaties, namelijk dat verzoeker een opvolgende aanvraag heeft ingediend louter teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit te vertragen of te verhinderen en de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vw. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat het in deze procedure om verzoekers tiende asielverzoek gaat en dat hij hierin voortborduurt op wat hij bij zijn eerdere aanvragen naar voren heeft gebracht. Ook heeft hij geen verklaring kunnen geven voor het late moment van indiening van deze aanvraag. Bij de procedure over zijn negende aanvraag is reeds geoordeeld over de asielstatus die verzoeker in Estland had. Wat betreft zijn verklaring dat hij van zijn neef heeft gehoord dat de autoriteiten recent bij zijn familiewoning zijn geweest, mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat dit niet als een objectief verifieerbare verklaring kan worden aangemerkt, dit niet anderszins is onderbouwd en bovendien voortbouwt op een verhaal dat in eerdere procedures niet aannemelijk is bevonden. Wat betreft verzoekers standpunt dat hij niet bekend was met het 3.1 Vb-besluit, heeft verweerder erop gewezen dat dit besluit – tezamen met het voornemen en asielgehoor – decentraal is verwerkt en daarmee naar het digitale portaal is verzonden.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoeker wel een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek, maar dat zijn bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De beslissing is telefonisch bekendgemaakt aan partijen op 15 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.