[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Inleiding
1. Bij besluit van 21 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers herhaalde aanvraag van 8 juli 2025 voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 23 juli 2025 heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 18 augustus 2025 zal worden uitgezet naar Oezbekistan.
Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend met het doel om niet op de geplande datum uit te worden gezet en de behandeling van zijn beroep in Nederland af te kunnen wachten.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Op het door verzoeker ingestelde beroep is nog niet beslist. Verweerder heeft bij kennisgeving van 23 juli 2025 aan verzoeker medegedeeld dat hij op 18 augustus 2025 zal worden uitgezet naar Oezbekistan. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening heeft.
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
4. Verzoeker heeft duidelijk aangegeven dat hij geen gronden aanvoert tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn asielaanvraag. Het geschil ziet dan ook enkel op het opgelegde inreisverbod. Verzoeker heeft aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden om af te zien van het inreisverbod. Verweerder had volgens verzoeker moeten onderzoeken of het toch niet mogelijk is dat hij in Nederland kan blijven totdat hij kan terugkeren naar Oekraïne of dat hij kan worden uitgezet naar Oekraïne. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het voorgaande onvoldoende reden vormt om af te zien van het opleggen van een inreisverbod of de duur hiervan te verkorten. Daar komt bij dat verweerder terecht heeft gesteld dat hij niet bevoegd is om verzoeker naar Oekraïne uit te zetten en dat niet is gebleken van omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van het EVRM die maken dat het inreisverbod niet mocht worden opgelegd of de duur daarvan verkort moet worden.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Verweerder heeft kunnen besluiten om de uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dit betekent dat verweerder de uitzetting van verzoeker niet achterwege hoeft te laten. Verzoeker krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De beslissing is telefonisch bekendgemaakt aan partijen op 15 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.