[eiser] , uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M. M. van Asperen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 29 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 is verweerder bij die afwijzing gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via telefoonverbinding), zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder (bijgestaan door mr. M.S. Schutter). Als tolk is verschenen W.M. Mamik.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Bij e-mailbericht van 18 februari 2024 heeft eiser zich gewend tot de mailbox van het crisisteam Afghanistan met het verzoek om, samen met zijn gezin, overgebracht te worden naar Nederland op grond van de Tolkenregeling. Eiser stelt in 2010 als tolk voor EUPOL te hebben gewerkt. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan alle vereisten voor overbrenging naar Nederland zoals die zijn opgenomen in de Tolkenregeling. Specifiek werpt verweerder hem tegen dat hij niet heeft onderbouwd dat hij deze werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Met verwijzing naar Kamerstukken stelt eiser dat hij, nu hij meer dan 3 maanden voor EUPOL en daarmee voor Nederland heeft gewerkt, voldoet aan de voorwaarden van de Tolkenregeling. De eis dat iemand exclusief voor een specifieke Nederlandse functionaris gewerkt moet hebben, volgt niet uit de regeling. Alleen van belang is of de werkzaamheden van eiser ten goede zijn gekomen aan Nederland en/of Nederlandse functionarissen, en daar is sprake van, mede omdat ongeveer 20% van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren. Mocht wel aan deze eis worden vastgehouden, dan stelt eiser dat verweerder in deze zaak ten onrechte niet heeft onderzocht of eiser heeft gewerkt voor een Nederlandse functionaris. Eiser loopt als tolk gevaar van de zijde van de Taliban. Subsidiair stelt eiser dat hij gezien moet worden als hoog profiel medewerker. Verder beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt hij dat er ook na de eerste evacuaties nog EUPOL-medewerkers zijn overgebracht, waarvan duidelijk is dat zij nooit specifiek voor een Nederlandse functionaris gewerkt kunnen hebben. Tot slot vindt eiser dat verweerder verplicht was hem te horen, nu verweerder in deze zaak veel beleidsruimte heeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5. De Tolkenregeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid (voorheen: Veiligheid en Justitie). Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht. Het gaat bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. De bestuursrechter toetst buitenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets.
Verweerder heeft onder verwijzing naar verschillende Kamerstukken aangegeven dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen drie groepen die in beginsel onder het beschermingsbereik van de Tolkenregeling vallen. De voor dit beroep relevante groep betreft lokale medewerkers (anders dan tolken) die aannemelijk kunnen maken een substantiƫle periode voor een Nederlandse missie of functionaris te hebben gewerkt en daardoor vandaag de dag persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Dit zijn cumulatieve vereisten. Om na te gaan wie bescherming nodig hebben, is de aard van de werkzaamheden van belang. Deze moeten zodanig zijn dat de persoon in kwestie regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse EUPOL-functionarissen in posities is gebracht waarin hij of zij extra zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de Nederlandse missie. Hierbij kan worden gedacht aan genderspecialisten. Het kabinet heeft vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds aangegeven deze aanvragen ruimhartig te bezien. Deze mededeling van het kabinet is gedaan op het moment dat de evacuaties plaatsvonden. Er is toen inderdaad ruimhartig(er) beslist, maar daarna is de Tolkenregeling weer toegepast zoals deze altijd werd toegepast. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat er hoe dan ook zorgvuldig moet worden getoetst aan de Tolkenregeling.
Eiser heeft in 2010 als tolk gewerkt voor EUPOL. Niet is gebleken dat eiser deze werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse EUPOL-functionaris. Hij verrichte zijn werkzaamheden ten behoeve van de internationale EU-missie als geheel. Daarbij geldt dat het geen vereiste is dat iemand exclusief voor een Nederlandse functionaris moet hebben gewerkt. Gelet daarop was verweerder dan ook niet gehouden om (verder) te onderzoeken of verweerder voor een Nederlandse functionaris heeft gewerkt. Dat een groot deel van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren maakt het voorgaande niet anders. De hoogste bestuursrechter heeft namelijk overwogen dat het niet voldoende is dat de werkzaamheden ten goede zijn gekomen aan Nederlanders die voor EUPOL hebben gewerkt.
Nu uit het voorgaande volgt dat eiser geen werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse EUPOL-functionaris, heeft verweerder alleen al op grond daarvan kunnen concluderen dat eiser niet valt onder de Tolkenregeling. Verweerder mocht het verzoek om overbrenging dan ook afwijzen. De vraag of eiser op dit moment gevaar loopt, hoeft gelet op de cumulatieve vereisten die gelden, geen bespreking.
Zoals hiervoor is overwogen, gaat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. Diegenen die daarbuiten vallen wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Het beleid is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Daarbij is niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren.
6. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder worden gevolgd in het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver gaat dat ten aanzien van feitelijke beslissingen die in de eerste hectische evacuatiefase zijn genomen, na de evacuatiefase nog een beroep zou kunnen worden gedaan in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Nu de context niet gelijk is, is daarmee ook geen sprake van gelijke gevallen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
7. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden. Verweerder heeft op basis van het bezwaarschrift buiten redelijke twijfel kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan de criteria van de Tolkenregeling. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland op grond van de Tolkenregeling op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.