RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. M.L. Santokhi)
het college van burgemeester en wethouders van Hillegom, het college (gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7188
en
Procesverloop
1. Vergunninghoudster [bedrijfsnaam] bv heeft op 11 april 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een hek tussen de [straat 1] en de [straat 2] in [plaats] . Op 16 juni 2023 stuurde het college een bekendmaking aan vergunninghoudster, waarin stond dat de vergunning van rechtswege was verleend omdat het college niet binnen acht weken op de aanvraag had beslist. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd ongegrond verklaard (het betreden besluit).
Eiser heeft op 2 september 2024 beroep ingesteld en de beroepsgronden op 27 september 2024 aangevuld. Het college heeft op 20 februari 2025 gereageerd met een verweerschrift en dit op 19 september 2025 aangevuld. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college deelgenomen.
Toetsingskader
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 april 2023. In dit geval blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.
Op de locatie is het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ van toepassing. Op grond daarvan heeft de grond de bestemmingen ‘Wonen - Uit te werken 1’ en ‘Waarde - Archeologie 3’.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of het college het betreden besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen.
Is het bouwplan getoetst aan het Kruimelgevallenbeleid?
4. Volgens eiser heeft het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte niet getoetst aan de criteria van hoofdstuk 5 van de Beleidsregel Kruimelgevallenbeleid Hillegom (het kruimelgevallenbeleid). De nadere motivering van het college bij het bestreden besluit voldeed niet voor wat betreft de aspecten verkeersveiligheid en parkeren. Zo heeft het college niet aangetoond dat zonder plaatsing van het hek de verkeersveiligheid in het geding is en de parkeerdruk aan de kant van de [straat 2] toeneemt. Volgens eiser ontstaan door het hek juist onveilige verkeerssituaties en ondervindt hij daarvan overlast. Andere weggebruikers, zoals aannemers en bezorgers moeten omrijden en keren en daar is de buurt niet op ingericht. Ook kunnen hulpdiensten nu niet goed aanrijden.
Het college stelt dat de gevolgen voor de verkeersveiligheid en parkeerdruk zijn toegelicht in de ruimtelijke onderbouwing van 18 juli 2024. De parkeerbehoefte in de nieuwbouwwijk (aan de kant van de [straat 1] ) is beoordeeld conform de geldende parkeernormen en veiligheidseisen, waarbij niet werd uitgegaan van uitwijkmogelijkheden naar omliggende straten zoals de [straat 2] . Het hek draagt bij aan het voorkomen van ongewenste verkeersbewegingen richting de [straat 2] , zodat de parkeerdruk daar niet toeneemt.
Bij een aanvraag voor een activiteit in strijd met het bestemmingsplan, zoals de plaatsing van het hek, kan het college een vergunning verlenen om de activiteit toe te staan. Een dergelijke mogelijkheid biedt artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo. Met die bepaling wordt verwezen naar de uitzonderingsgevallen in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Voor de beoordeling van dergelijke ‘kruimelgevallen’ heeft het college het Kruimelgevallenbeleid Hillegom vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in deze zaak diende te worden beoordeeld aan de hand van hoofdstuk 5 van het Kruimelgevallenbeleid (getiteld ‘maatwerkbeoordelingen’).
Wél in geschil is of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan de door eiser genoemde aspecten uit artikel 5.1 van het kruimelgevallenbeleid, namelijk verkeersveiligheid en parkeren. Volgens dit artikel moet, bij van het bestemmingsplan afwijkend gebruik, afgewogen worden of “parkeren ten behoeve van het initiatief plaatsvindt overeenkomstig het vigerende parkeerbeleid” en of het initiatief “leidt tot een onevenredige publieks- en/of verkeer aantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende wegen”.
Bij het bestreden besluit en de ruimtelijke onderbouwing van 18 juli 2024 besteedde het college aandacht aan deze aspecten. Zo overwoog het college dat het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte op de [straat 2] niet toeneemt met de plaatsing van het hek. Tijdens de beroepsprocedure heeft het college zijn overwegingen op het gebied van verkeer en parkeren verder toegelicht. Volgens het college neemt de verkeersveiligheid met de plaatsing van het hek toe, omdat daarmee wordt voorkomen dat er onverwacht voetgangers of fietsers vanuit de wijk het plein aan de [straat 2] opgaan. Ook bevordert het hek volgens het college de scheiding tussen woon- en bedrijfsverkeer. Ten slotte is volgens het college bij de realisatie van de nieuwbouwwijk gewaarborgd dat het bestemmingsverkeer naar de [straat 1] geen gebruik hoeft te maken van de [straat 2] . De wijk is volgens het college ingericht op gescheiden verkeersstromen, waarbij de aanrijdroutes op een veilige en logische wijze zijn bepaald. Het hek zorgt er dus niet voor dat, zoals eiser stelt, bestemmingsverkeer van onder meer bezorgers en hulpdiensten door de plaatsing van het hek moeten omrijden waardoor een onveilige of hinderlijke verkeerssituatie wordt gecreëerd.
Met bovenstaande overwegingen heeft het college in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat het bouwplan in overeenstemming is met zijn kruimelgevallenbeleid. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat wat het college zegt over de inrichting van de woonwijk waar de [straat 1] in ligt niet klopt, en ook niet dat plaatsing van het hek zal leiden tot de door hem verwachte verkeersproblemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was sprake van détournement de pouvoir?
5. Volgens eiser gebruikte het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning zijn publiekrechtelijke bevoegdheid om aan een privaatrechtelijke verplichting te voldoen. Dit is in strijd met het verbod op détournement de pouvoir uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het hek is namelijk geplaatst om te voldoen aan verplichtingen uit een eerder gesloten vaststellingsovereenkomst met bewoners van de [straat 2] , aldus eiser.
Volgens het college betekent het feit dat de vaststellingsovereenkomst bekend was bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag niet dat sprake was van détournement de pouvoir. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is getoetst aan de relevante wettelijke kaders, waaronder het bestemmingsplan, de Wabo en het Bor. De besluitvorming berust volgens het college op een zelfstandige en onafhankelijke afweging van de ruimtelijke en verkeerskundige belangen, waarbij ook de belangen van derden zoals de bezwaarmakers expliciet zijn meegewogen.
Op grond van artikel 3:3 van de Awb mag het college zijn bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel gebruiken dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. In deze zaak moest het college beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Het doel van het college bij het inzetten van zijn bevoegdheid was het voorzien in een goede ruimtelijke ordening. Dat die bevoegdheid met het oog op dat doel is uitgeoefend is onderbouwd in de bezwaar- en beroepsprocedure. Het ging daarbij om een toets van de aanvraag van vergunninghouder aan de relevante wet- en regelgeving en aan het gemeentelijk beleid. Dat het college een vaststellingsovereenkomst had gesloten met omwonenden waarin een hek werd voorzien, maakt dit niet anders.
Gelet op het bovenstaande heeft het college zijn bevoegdheid niet ingezet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A. van der Meijs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.