RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] uit [woonplaats 1] ;
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigden: mr. S.V. Benjamin en W. Smits).
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9121
[eiser 2] uit [woonplaats 2] ;
[eiser 3] uit [woonplaats 1] ; en
[eiser 4] uit [woonplaats 3] , eisers(gemachtigde: mr. T. Teke)
en
Procesverloop
1. Eisers zijn sinds 10 mei 2021 de eigenaren van de woning aan de [adres] in Den Haag . Op 17 oktober 2022 werd aan eisers een last onder dwangsom met een begunstigingstermijn van zes weken opgelegd voor het bouwen in afwijking van een verleende omgevingsvergunning. De begunstigingstermijn werd drie keer op verzoek van eisers verlengd. Op 26 februari 2024 verzochten eisers het college de begunstigingstermijn nogmaals te verlengen en het college heeft dit verzoek afgewezen (het primaire besluit). Op 1 maart 2024 is de begunstigingstermijn verstreken en is de dwangsom van rechtswege verbeurd.
Eisers hebben op 29 maart 2024 bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Eisers hebben op 18 november 2024 beroep ingesteld en het beroep op 17 januari 2025 aangevuld. Het college heeft op 24 oktober 2025 gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college deelgenomen.
Toetsingskader
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een last onder dwangsom is opgelegd voor een overtreding of een dreigende overtreding, vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid en eerste lid onder c, van de Invoeringswet het oude recht van toepassing tot de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft op 11 augustus 2022 een last onder dwangsom opgelegd aan eisers. Daarom blijft in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing.
Op het perceel geldt het bestemmingsplan ‘Vruchten- en Heesterbuurt 2020’. Op grond daarvan heeft het perceel de enkelbestemming ‘Gemengd - 1’. Ook gelden de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - dakopbouw’ en een maximale bouwhoogte van 10 meter.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of het college het bestreden besluit heeft mogen nemen.
Eisers stellen dat de tot 1 maart 2024 verlengde begunstigingstermijn te kort was om aan de last onder dwangsom te voldoen en dat de afwijzing van het laatste verlengingsverzoek onaanvaardbaar was. Het college kon het verzoek volgens eisers niet in redelijkheid afwijzen, omdat er in dit geval sprake was van overmacht of een daarmee vergelijkbare situatie. Het heeft eisers, die allen in Duitsland wonen, veel moeite gekost om een aannemer te vinden en het is eisers nog steeds niet duidelijk wat zij exact moeten doen om aan de last onder dwangsom te voldoen.
Volgens het college was bij de vaststelling van de lengte van de begunstigingstermijn enige ruimte, maar geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen. Met het oog op het algemeen belang was volgens het college nog verdere coulance jegens eisers niet geboden en moest, conform de beginselplicht tot handhaving, opgetreden worden. Volgens het college hadden eisers efficiënter en adequater kunnen handelen, zodat de illegale situatie sneller opgelost had kunnen worden. De last onder dwangsom is onherroepelijk en eisers hadden de gestelde onduidelijkheden volgens het college in een procedure tegen deze last moeten aanvoeren. Het college heeft in de opgelegde last duidelijk omschreven hoe daaraan voldaan moest worden en heeft altijd op vragen gereageerd.
Tussen partijen is niet in geschil dat eisers als eigenaren van het pand een situatie in stand lieten in afwijking van een op die locatie verleende omgevingsvergunning. Om die reden heeft het college aan eisers een last onder dwangsom opgelegd. Op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college de looptijd van een last onder dwangsom op verzoek van een overtreder opschorten voor een bepaalde termijn ingeval van (blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke) onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) komt aan het college bij het bepalen van de lengte van een begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. Het is daarbij aan degene aan wie de last is opgelegd om aannemelijk te maken dat de gegeven termijn te kort is om aan de last te voldoen. Het college hoeft bij de beoordeling van een verzoek tot verlenging van een begunstigingstermijn de belangenafweging, die ten grondslag lag aan de opgelegde last onder dwangsom en de lengte van de daaraan verbonden begunstigingstermijn, niet opnieuw te verrichten. Het college kan zich bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging beperken tot het in aanmerking nemen van de omstandigheden en belangen die verband houden met de door eisers gestelde onmogelijkheid om aan zijn verplichtingen te voldoen.
In dit geval werd de last onder dwangsom aan eisers opgelegd op 17 oktober 2022, waarbij het college een begunstigingstermijn bood van zes weken. Vervolgens is de begunstigingstermijn drie keer op verzoek van eisers verlengd, uiteindelijk tot en met 1 maart 2024. Het vierde verzoek werd door het college afgewezen. Eisers hebben in totaal meer dan 16 maanden de tijd gekregen om aan de last te voldoen.
Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk was om binnen de geboden termijn aan de last te voldoen. Dat het lastig was om (vanuit Duitsland) een aannemer te vinden is begrijpelijk, maar daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat geen enkele aannemer bereid was om de werkzaamheden te verrichten. Ook heeft de keuze van eisers om te proberen de verkopende partij aansprakelijk te stellen voor de verbouwkosten, alvorens de last uit te voeren, ervoor gezorgd dat de opstartfase lang heeft geduurd en deze keuze komt voor rekening van eisers.
Het college heeft, met de verlengingen van de begunstigingstermijn, eisers ruim de tijd geboden om aan de last onder dwangsom te voldoen. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd waarom het laatste verzoek tot verlenging van de begunstigingstermijn werd afgewezen en hoe daarbij de relevante omstandigheden en belangen zijn afgewogen in het licht van de door eisers gestelde onmogelijkheid om aan hun verplichtingen te voldoen. Het college heeft daarmee op juiste wijze invulling gegeven aan zijn bevoegdheid tot handhaving.
Voor wat betreft de stelling van eisers dat het onduidelijk was hoe zij aan de last onder dwangsom moesten voldoen, overweegt de rechtbank dat in de huidige procedure niet met succes gronden naar voren kunnen worden gebracht die in een procedure tegen de - onherroepelijke - last onder dwangsom naar voren hadden kunnen worden gebracht.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen het griffierecht niet terug en krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Kemper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.