RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1581
en
(gemachtigde: mr. K.E. Masmeijer-Haan).
1. Deze uitspraak gaat over het kennelijk niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van eiser tegen een brief van het college van 8 april 2024. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft in een brief van 19 december 2023 aan de dagelijkse en algemene besturen van de provincie Zuid-Holland, de gemeente Hoeksche Waard, het waterschap Hollandse Delta en de directie van het Wegschap Tunnel Dordtse Kil, deze organisaties gewezen op hun zorgplicht op grond van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Eiser vraagt in de brief om een verlies van 6.000 m² aan biodiversiteit vanwege de aanleg van een fietspad tussen de rotonde in de N217 en de Kiltunnel bij ’s-Gravendeel te compenseren.
Bij brief van 8 april 2024 heeft het college, mede namens de andere drie aangeschreven organisaties, gereageerd op eisers brief van 19 december 2023.
Bij besluit van 11 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de brief van 8 april 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 februari 2025. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam] .
Beoordeling door de rechtbank
Is de brief van 8 april 2024 een besluit?
3. Eiser betoogt dat de brief van 8 april 2024 een besluit is. Volgens eiser is een bestuursorgaan altijd bevoegd om te besluiten de wettelijke zorgplicht na te leven. Wanneer het college onbevoegd zou zijn geweest om een besluit te nemen, had het college kunnen volstaan met een daartoe strekkende mededeling.
Het college stelt zich op het standpunt dat de brief van 8 april 2024 niet als besluit kan worden aangemerkt. Volgens het college ontbreekt een publiekrechtelijke grondslag om een besluit te nemen op een algemeen verzoek tot compensatie van verloren biodiversiteit. Verder is het verzoek van eiser in de brief van 19 december 2023 onvoldoende concreet om te kunnen worden aangemerkt als een verzoek om handhaving van de zorgplicht van de Wnb.
Op zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd dat hij met de brief 19 december 2023 niet om handhaving heeft willen vragen. De vraag of sprake is van handhavingsverzoek, dat bovendien voldoende concreet is, kan daarom in het midden blijven.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake indien er een verandering optreedt in iemands bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichtingen, bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.
De rechtbank overweegt dat de brief van eiser van 19 december 2023 een open brief is. In de brief wordt een zodanig algemeen beroep op de betrokken bestuursorganen gedaan om de Wnb na te leven door verloren biodiversiteit te compenseren, dat de brief naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden aangemerkt als een verzoek om het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Niet valt in te zien hoe de brief kan leiden tot een verandering in rechten of verplichtingen van eiser of het bindend vaststellen van het bestaan van rechten, verplichtingen of bevoegdheden. Eisers verwijzing naar de zorgplicht van de Wnb is daartoe onvoldoende en doet niet af aan het algemene karakter van de brief. De reactie van 8 april 2024 van het college op de open brief is daarom geen besluit in de zin van de Awb. Het bezwaar tegen deze brief heeft het college daarom terecht
niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.