RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C. Mayne),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Visschers).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18690
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Eiser heeft op 30 december 2019 in Nederland een eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 9 maart 2021 heeft de rechtsvoorganger van de minister deze aanvraag afgewezen en heeft hij aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Het beroep van eiser tegen dit besluit heeft de rechtbank bij uitspraak van 16 april 2021 ongegrond verklaard.1
Op 11 april 2024 heeft eiser zijn huidige asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 16 april 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit (het bestreden besluit). De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mevrouw Mensah als tolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het asielrelaas van eiser
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Ter onderbouwing van zijn huidige asielaanvraag heeft hij verklaard dat hij zich in 2014 realiseerde dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen. In 2015 heeft hij voor het eerst zijn vriend [A] gezoend en ontwikkelde zich tussen hen een affectieve relatie. In 2016 werden zij door de vader van [A] betrapt toen zij in het appartement van [A] aan het vrijen waren. De vader heeft eiser en [A] geslagen en heeft gezegd dat eiser een slechte invloed had op [A] . Eiser is gevlucht naar een oom in [plaats 1] . De moeder van eiser heeft deze oom gebeld. Zij vertelde wat er was gebeurd en dat de politie naar eiser op zoek was. Op advies van de oom heeft eiser Nigeria verlaten. Na een verblijf in Italië sinds 2016, is eiser uiteindelijk in 2019 doorgereisd naar Nederland.
In het kader van zijn eerste asielaanvraag heeft eiser niet verklaard over zijn homoseksuele geaardheid. In 2021 zag eiser twee mannen in het openbaar zoenen. Op dat moment begreep hij dat homoseksualiteit in Nederland geaccepteerd is en dat hij vanwege zijn geaardheid asiel kon aanvragen. Door persoonlijke omstandigheden heeft hij dit uiteindelijk in 2024 gedaan. In de periode 2022-2023 heeft hij zes maanden een relatie gehad met een Nederlandse man.
1. ECLI:NL:RBDHA:2021:3971.
Het bestreden besluit
2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
3. De identiteit, nationaliteit en herkomst. De minister vindt dit element geloofwaardig.
4. De homoseksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister vindt dit element ongeloofwaardig.
Beoordeling door de rechtbank
Over het moment waarop eiser zijn huidige asielmotief naar voren heeft gebracht (punt 2.1.1. van het bestreden besluit)
Over de tijd van eiser in Nigeria (punt 2.1.2 tot en met 2.1.4 van het bestreden besluit)
Over de betrokkenheid van eiser bij de lhbti-gemeenschap in Nederland (punt 2.1.6 van het bestreden besluit).
Over de door eiser ingebrachte documenten (punt 2.1.7 van het bestreden besluit)
Over de problemen die eiser vreest in Nigeria als gevolg van zijn geaardheid (punt 2.1.8 van het bestreden besluit)
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij de homoseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig acht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Over het referentiekader
4. Eiser stelt dat de minister bij de beoordeling van het asielrelaas onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn introverte persoonlijkheid en met de omstandigheid dat zijn traumabehandeling niet succesvol is afgerond en onderbroken is. Verder blijkt volgens eiser uit het rapport van Arq van 13 januari 2025 (het Arq-rapport) dat hij veel last heeft van klachten naar aanleiding van PTSS met uitgestelde expressie en sterke vermijding. Volgens eiser uit dit zich in de omstandigheid dat hij obstakels ervaart om over zichzelf te praten. Eén en ander heeft volgens eiser ertoe geleid dat hij niet of slechts enigszins in staat is over zijn homoseksuele geaardheid te verklaren. Ter ondersteuning van zijn stelling dat de minister zijn referentiekader onvoldoende heeft meegenomen in de beoordeling van het asielrelaas, heeft eiser een rapport van drs. [naam] ( [naam] ) van 10 juli 2025 ingebracht. [naam] heeft een analyse gemaakt van het asielgehoor dat van eiser is afgenomen.
5. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond faalt en overweegt daartoe het volgende.
6. De minister heeft mogen uitgaan van het advies van de arts van medTadvies van 14 januari 2025 (het deskundigenadvies). Hieruit komt naar voren dat eiser last heeft van een wisselende, verkorte concentratie en/of een vertraagd vermogen om de vraagstelling te begrijpen. Ook is hij niet in staat om exacte data te benoemen en kan hij emotioneel worden tijdens het gehoor. Met inachtneming van deze beperkingen is eiser in staat om te worden gehoord, aldus het deskundigenadvies. In het deskundigenadvies is niet geconstateerd dat eiser een introverte persoonlijkheid heeft, waarmee de minister bij de beoordeling van het asielrelaas rekening dient te houden. Dat hiervan wél sprake zou zijn, heeft eiser slechts onderbouwd met zijn eigen verklaring en met verklaringen van personen die hem maatschappelijk hebben begeleid. Dergelijke verklaringen zijn van onvoldoende gewicht om tot het oordeel te kunnen komen dat het deskundigenadvies onvolledig of onjuist is geweest. Op basis van het deskundigenadvies en hetgeen eiser heeft aangevoerd, is er voor de minister geen aanleiding geweest om in het bestreden besluit (telkens) te expliciteren dat en hoe hij de gestelde introverte persoonlijkheid van eiser heeft betrokken in de beoordeling van het asielrelaas.
7. Voorts heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij obstakels ervaart om over zijn geaardheid te praten. Zo heeft de minister er terecht op gewezen dat uit het Arq-rapport niet blijkt in hoeverre de klachten van eiser leiden tot een interferentie met zijn vermogen om uitgebreid en gedetailleerd over zijn geaardheid te praten. Ook heeft de minister mogen aanvoeren dat eiser wel degelijk een zekere mate van openheid heeft, aangezien hij zijn gevoelens en zijn leven in meer of mindere mate deelt bij bijeenkomsten van LHBTI-organisaties. Tevens heeft eiser tijdens het asielgehoor zelf aangegeven dat hij “inmiddels” kan praten over zijn problemen en over wat hij doormaakt.
8. Aan het rapport van [naam] heeft de minister niet de waarde hoeven toekennen die eiser daaraan gehecht zou willen zien. [naam] heeft eiser namelijk niet in persoon onderzocht. Ook is [naam] uitgegaan van diverse algemene aspecten van PTSS, culturele achtergrond, leeftijd en lage opleiding. [naam] lijkt er in haar advies vanuit te gaan dat deze aspecten tevens opgaan voor eiser en dat die ook van invloed zijn geweest op diens vermogen om inzichtelijk te verklaren over zijn onderwerpen die gerelateerd zijn aan zijn geaardheid. Aldus heeft [naam] geconcludeerd dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas onvoldoende rekening heeft gehouden met diens mentale toestand, achtergrond, ervaringen en referentiekader. Echter, het Arq-advies en het deskundigenadvies bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat (alle) bedoelde aspecten van PTSS, culturele achtergrond, leeftijd en opleiding op eiser van toepassing zijn, in die mate dat van eiser niet meer verwacht mag worden dat hij inzichtelijk verklaart over zijn persoonlijke beleving, overtuigingen en gedachten aangaande zijn geaardheid.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het referentiekader van eiser in voldoende mate inzichtelijk gemaakt en betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas. Waar nodig zal de rechtbank hierna, bij de toets van de argumentatie van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, nader ingaan op het referentiekader.
10. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij pas in 2024 heeft aangegeven dat hij internationale bescherming verlangt in verband met zijn geaardheid. De minister heeft het standpunt mogen innemen dat dit op voorhand afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn geaardheid en de problemen die daaruit voortvloeien.
11. In dit verband heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser naar zijn zeggen al sinds 2014 weet dat hij homoseksueel is. Door de problemen in Nigeria vanwege zijn geaardheid, heeft hij dat land in 2016 ontvlucht. Hij heeft eerst in Italië verbleven en is in 2019 naar Nederland gegaan. Eiser was toen 21 jaar en wist al zo’n zeven jaar dat hij homoseksueel was. Eiser heeft verklaard dat hij een plek wilde waar hij veilig kon zijn en zijn droomleven als lhbti’er kon leiden. Tegen die achtergrond mocht de minister van eiser verwachten dat hij zich in ieder geval in enige mate had georiënteerd op de vraag of de plek waar hij was een homovriendelijk klimaat had. Gelet op zijn leeftijd en het motief en de duur van zijn verblijf in Europa, is het niet aannemelijk dat hij langere tijd angstig was en in de veronderstelling zou hebben verkeerd dat homoseksualiteit in Nederland niet geaccepteerd was. Dit vooral niet, omdat eiser in [plaats 2] verbleef. Het ligt voor de hand dat hij in die stad door openlijke symbolen of vieringen op enigerlei wijze heeft kunnen ontdekken dat de situatie voor lhbti’ers hier wezenlijk anders is dan in Nigeria. Niet ten onrechte heeft de minister geen wezenlijk gewicht gehecht aan de omstandigheden dat eiser laag opgeleid is, moeite heeft met lezen en schrijven en weinig toegang tot internet had. Informatie over de positie van lhbti’ers in Nederland heeft eiser immers ook via andere kanalen kunnen opdoen. De verklaring van eiser dat de homoacceptatie hem pas duidelijk geworden is toen hij in 2021 twee mannen publiekelijk zag zoenen, heeft de minister niet hoeven volgen. Zelfs als eiser hierin wél gevolgd zou worden, dan nog heeft eiser niet duidelijk kunnen maken waarom hij tot in 2024 heeft gewacht met het indienen van zijn huidige asielaanvraag. Eiser heeft verklaard dat hij over zijn geaardheid niet kon en durfde te praten, dat hij in de periode van 2022 en 2023 ongeveer acht tot twaalf maanden een traumatherapie heeft gevolgd en dat ook zijn begeleiders vonden dat hij nog niet voldoende kon praten over zijn homoseksuele gerichtheid. De minister heeft deze verklaring niet verschoonbaar hoeven vinden. Eiser stelt immers dat hij naar Europa is gevlucht om vrij en beschermd als homoseksueel te kunnen leven. Van hem mag dan worden verwacht dat hij de Nederlandse autoriteiten tijdig op de hoogte stelt van zijn verzoek om internationale bescherming. De therapie heeft hem in dat verband niet hoeven belemmeren, aangezien hij die niet de gehele periode van 2021 tot en met 2024 heeft gevolgd. Ook mocht de minister meewegen dat eiser sinds 2021 betrokken is bij organisaties en bijeenkomsten voor lhbti’ers, waar hij vrijuit heeft gesproken over zijn geaardheid. Daarbij geldt tevens dat eiser in die tijd al begrepen kon hebben dat de asielprocedure vertrouwelijk is. Ten slotte geldt dat eiser er zelf voor heeft gekozen om zijn huidige, opvolgende asielaanvraag uiteindelijk in 2024 in te dienen. Van hem mocht op dat moment worden verwacht dat hij inzichtelijk en met enige diepgang zou verklaren over zijn geaardheid, emoties, gedachten en persoonlijke context.
12. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn persoonlijke ontwikkelingen, gevoelens en ervaringen in Nigeria sinds het moment dat hij in 2014 (op 16-jarige leeftijd) kuste met [A] en ontdekte dat hij zich aangetrokken voelde tot mannen. Over de bewustwording van zijn geaardheid heeft eiser verklaard dat hij bepaalde emotionele gevoelens ontwikkelde die hij lastig te beheersen vond. Ook heeft hij verklaard dat hij angstig was, zich onveilig voelde en zichzelf vragen begon te stellen. Eiser heeft deze gevoelens, de persoonlijke reflectie en hoe hij door de kus met [A] tot de ontdekking kwam dat hij homoseksueel was, vervolgens echter niet concreter kunnen toelichten. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat hij voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn vriendschap met [A] ontwikkelde in een romantische relatie. Eiser geeft na vele vragen hierover nog steeds een onduidelijk antwoord. Zo heeft hij onder andere op pagina 14 van het gehoor opvolgende aanvraag verklaard: “Het ontwikkelde zich goed. We kregen een steeds nauwere relatie. We gingen de liefde bedrijven, maar we zeiden wel tegen elkaar dat we het geheim moesten houden. We moesten het verborgen houden voor andere mensen.” Eiser heeft toegelicht dat er sprake was van een situatie waarin twee jongens elkaar door lichaamstaal vonden. Ten aanzien hiervan heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat deze situatie niet betekent dat eiser niet in staat mag worden geacht om enig inzicht te geven in een proces tussen hem en [A] . De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat hij voldoende heeft verklaard over zijn vriendschap en relatie met [A] . Eiser heeft onder andere verklaard dat hij zich bij [A] op zijn gemak voelde en dat het voelde als twee mensen die elkaar liefhebben. Ook heeft eiser verklaard over persoonlijke eigenschappen van [A] , zoals dat hij romantisch en lief was, dat hij goed kon koken en dat [A] hem een speciaal cadeau heeft gegeven. De minister mocht dit echter onvoldoende diepgaand vinden, omdat eiser heeft verklaard dat hij meer dan een jaar een liefdesrelatie met [A] heeft gehad. Dat eiser stelt dat hij glimlachte toen hij over [A] praatte, neemt niet weg dat van hem mocht worden verwacht dat hij aan de hand van zijn verklaringen inzicht bood in zijn persoonlijke leefwereld. Van eiser mocht verwacht worden dat hij meer inzicht kon geven in zijn gesprekken met [A] , in zijn gevoelens over wat het met hem deed om intiem te zijn met [A] en om homoseksuele gevoelens te ervaren en te ontwikkelen. Eén en ander gebeurde immers in een land waar dergelijke gevoelens en uitingen in maatschappelijke, religieuze en juridische zin verboden zijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat dit aspect niet mag worden meegenomen, omdat aantrekkingskracht iets universeels is. Daarbij is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij zich ervan bewust was dat homoseksualiteit in Nigeria niet werd geaccepteerd. Hij had dit immers vernomen via de radio, de kerk en van zijn moeder. De minister mocht in dit verband ook tegenwerpen dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over wat de gangbare opvatting in Nigeria over homoseksualiteit met hem deed. Eiser heeft verklaard dat zijn gevoelens door slechte geesten werd veroorzaakt en dat hij zich slecht, bitter en angstig voelde. De minister mocht op deze verklaring meer toelichting verwachten. Van eiser mocht worden verwacht dat hij met enige diepgang kon verklaren over de persoon van [A] , over de inhoud van hun relatie en over de Nigeriaanse context waarin deze relatie zich afspeelde.
Over de relatie van eiser in Nederland (punt 2.1.5 van het bestreden besluit)
13. Niet ten onrechte heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser vaag heeft verklaard over ene [B] , met wie hij in Nederland zes maanden een relatie zou hebben gehad. Aanvankelijk kon eiser de naam van deze persoon niet produceren. Ook anderszins is eiser er niet in geslaagd het verhaal over [B] enigszins persoonlijk te maken. Eiser heeft als toelichting gegeven dat hij in feite slechts met [B] heeft gedated en dat hun relatief korte relatie zich niet heeft verdiept. Ook zat eiser toen in een slechte periode, waarin hij veel dronk en waarin zijn traumatherapie was onderbroken. De rechtbank kan de minister volgen in diens redenering dat het contact met [B] voor eiser de eerste gelegenheid was, waarbij hij in meer of mindere mate een affectieve relatie onderhield met een man in een land waar dat is toegestaan. Tegen die achtergrond heeft de minister het onaannemelijk mogen vinden dat eiser dermate summier heeft verklaard over [B] , over zijn relatie met hem en over de gevoelens die eiser daarbij ervaarde. De verklaringen van eiser over deze relatie heeft de minister dan ook niet ten onrechte onaannemelijk bevonden.
14. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat zijn activiteiten voor de lhbti-gemeenschap in Nederland voor hem persoonlijk betekenen. Eiser heeft verklaard dat hij sinds 2021 actief betrokken is bij lhbti-organisaties en -activiteiten in Nederland. Hij voelt zich hierdoor meer welkom en op zijn gemak. Gelet op het tijdsverloop sinds 2021, de positieve sfeer en het belang dat eiser hecht aan zijn betrokkenheid bij deze organisaties en activiteiten, mocht van hem verwacht worden dat hij meer inzicht kon geven in zijn gedachten, ervaringen en gevoelens dienaangaande. De minister mocht onder andere aanvoeren dat eiser oppervlakkig en onvoldoende persoonlijk heeft verklaard over diverse keren dat hij de pride in Amsterdam heeft bijgewoond. Ook weet hij nauwelijks met enige diepgang te vertellen over wat lhbti-organisaties waarbij hij betrokken is voor hem betekenen. Eiser geeft in feite slechts in algemene bewoordingen aan dat hij zich bij deze organisaties welkom voelt, dat hij wordt begrepen en met respect wordt behandeld, dat hij daar kan praten over zijn situatie en dat hij steun en veiligheid ervaart. Nauwelijks weet eiser met enige persoonlijke diepgang uit te leggen op welke wijze deze organisaties voor hem belangrijk zijn en hoe deze organisaties hem hebben geholpen of begeleid in de ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid. Ook over zijn bezoeken aan gaybars en -clubs blijven de verklaringen van eiser hangen in algemeenheden over de sfeer die hij daar ervaart. Ondanks dat eiser heeft verteld dat hij daar vaak naartoe gaat en dat hij dat ook belangrijk vindt, is hij er niet in geslaagd om meer concreet te praten over zijn persoonlijke ervaringen en gevoelens met betrekking tot deze gelegenheden. Het gebrek aan persoonlijke diepgang in de verklaringen van eiser over zijn ervaringen als homo in Nederland en de wijze waarop die ervaringen hebben bijgedragen aan de ontwikkeling en beleving van zijn geaardheid, doen volgens de minister afbreuk aan de aannemelijkheid van zijn gestelde geaardheid. De rechtbank kan de minister daarin volgen.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de door eiser ingebrachte brieven en foto’s onvoldoende bijdragen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn geaardheid. Dit mede in het licht van het oordeel dat de minister de verklaringen van eiser in dit verband al ontoereikend heeft mogen vinden. Zo tonen foto’s slechts een momentopname en geven die geen inzicht in de context van de afbeeldingen. De brieven die diverse kennissen en medewerkers van organisaties over eiser hebben opgesteld, zijn niet objectief verifieerbaar. Ook wordt doorgaans in vrij algemene termen beschreven wat de betrokkenheid van eiser bij die organisaties is. Op de brief van HVO Querido na, geven deze brieven nauwelijks inzicht in wat de betrokkenheid van eiser bij de diverse organisaties voor hem betekent. De brieven dragen niet in positieve zin bij aan de geloofwaardigheid van de eigen verklaringen van eiser over zijn geaardheid.
16. Niet ten onrechte heeft de minister het standpunt ingenomen dat de verklaringen van eiser over de problemen die hij in Nigeria heeft ervaren naar aanleiding van zijn geaardheid niet geloofwaardig zijn. De minister heeft in dit verband mogen aanvoeren dat de punten 2.1.1 tot en met 2.1.7 van het bestreden besluit er al blijk van geven dat hij de geaardheid van eiser niet aannemelijk vindt. De problemen die zouden zijn voortgekomen uit die geaardheid heeft de minister dan ook ongeloofwaardig mogen vinden. Verder heeft de minister mogen aanvoeren dat de verklaringen van eiser over de ontdekking van zijn seksuele handelingen met [A] door diens vader ongerijmd zijn. Zo heeft eiser aanvankelijk niet direct een concrete situatieschets kunnen geven van de woning waarin de vader van [A] hen heeft kunnen betrappen. Dat die vader hen ogenschijnlijk eenvoudig en voor eiser onverwacht kon betrappen, rijmt voorts niet met de verklaring van eiser dat hij de relatie met [A] geheim hield en dat zij met hun relatie heel voorzichtig deden. De verklaring van eiser dat zij jong waren en zij op dat moment niet goed over de risico’s van hun gedrag nadachten, is voor deze ongerijmdheid onvoldoende verschonend. Eiser heeft verder niet inzichtelijk verklaard over de wijze waarop hij aan de vader van [A] heeft kunnen ontkomen. Hij werd door die vader naar buiten gesleept en geslagen, maar heeft op enig moment kunnen wegrennen. Hoe dit mogelijk is geweest, heeft eiser niet duidelijk gemaakt.
Conclusie en gevolgen
17. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit met toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Tevens heeft de minister aan eiser terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Dit op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser heeft de “kennelijkheid” en het inreisverbod niet betwist.
18. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.