RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.20768
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie , verweerder
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
Procesverloop
Eiser heeft op 28 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 april 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Jama als tolk in de Somalische taal en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Begin mei 2023, toen eiser aanwezig was in een restaurant, is een persoon doodgeschoten. Eiser heeft vervolgens de schutters geïdentificeerd op het politiebureau en twee weken daarna werd hij telefonisch bedreigd. De telefonische bedreigingen zouden afkomstig zijn van leden van de terroristische groep [groep] , waartoe de schutters zouden behoren. Eiser heeft na vier keer telefonisch te zijn bedreigd besloten om Somalië te verlaten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De bedreigingen die eiser zou hebben ondervonden vanuit [groep] worden niet geloofwaardig geacht. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Bedreigingen vanuit [groep]
Eiser voert aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader tijdens de beoordeling. Eiser heeft aangegeven dat de aanval in mei 2023 heeft plaatsgevonden. Ten onrechte werpt verweerder aan hem tegen dat hij de precieze datum niet meer weet. Verder heeft eiser voldoende in detail verklaard over die gebeurtenis. Daarbij zijn ten onrechte niet de correcties en de aanvullingen meegenomen, waarin eiser corrigeert dat er tien personen in het restaurant waren in plaats van dat hij met tien vrienden in het restaurant was. Eiser heeft ook duidelijk verklaard dat hij direct wist dat hij door [groep] telefonisch werd bedreigd en dat hij vanaf de aanval tot aan zijn vertrek heeft thuisgezeten.
De rechtbank stelt vast dat uit het [bedrijf] rapport niet blijkt dat er beperkingen zijn waarmee verweerder extra rekening moest houden tijdens het horen. Er zijn een aantal pauzes gehouden en eiser is meermaals in de gelegenheid gesteld om zijn antwoorden te verduidelijken of verder toe te lichten. Eiser heeft niet aangevoerd wat hij anders had willen toelichten of verklaren, dat hij nu niet heeft kunnen doen door zijn referentiekader. De rechtbank is dan ook van oordeel, zoals verweerder terecht heeft gesteld, dat er voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser.
Het is aan eiser om inzichtelijk te maken wat de aanleiding voor hem is geweest om Somalië te verlaten. De rechtbank stelt vast dat eiser wisselend heeft verklaard over het aantal personen die aanwezig waren in het restaurant ten tijde van de aanval. Eerst heeft eiser verklaard dat hij met tien vrienden in het restaurant was en vervolgens heeft eiser in de correcties en aanvullingen gecorrigeerd dat er in totaal tien personen in het restaurant waren. Met betrekking tot de telefonische bedreigingen heeft eiser in het nader gehoor eerst verklaard dat hij in het begin niet wist wie hem bedreigde en vervolgens dat hij gelijk wist dat [groep] hem bedreigde. Verder heeft eiser verklaard dat hij na de bedreigingen voornamelijk thuis bleef en later in het gehoor dat hij tot aan zijn vertrek niet buitenshuis is geweest. Eiser heeft geen verklaring gegeven waarom hij die verklaringen later heeft gecorrigeerd en waarom eiser over deze gebeurtenissen wisselend heeft verklaard. Verweerder heeft volgens de rechtbank dan ook aan eiser mogen tegenwerpen dat hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard en dat hij hier geen verklaring voor heeft gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de gestelde problemen ongeloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Terugkeerbesluit
Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij zowel naar [plaats 1] als Mogadishu kan terugkeren. Eiser heeft nooit in Mogadishu gewoond en heeft zich vergist in de beantwoording van de vraag of hij met zijn reisagent is meegereisd naar Mogadishu. Het is verder niet veilig voor eiser om te reizen naar [plaats 1] via [plaats 2] , nu een reis over land tussen die twee plaatsen betekent dat eiser door een gebied moet reizen waar [groep] actief is. Hiertoe verwijst eiser naar het Algemeen Ambtsbericht Somalië van 2025 en een rapport van de EUAA.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de telefoon van eiser een ‘Certificate of Identity Confirmation’ is gevonden, waaruit blijkt dat hij in Mogadishu heeft gewoond. Eisers verklaring dat een tussenpersoon het document heeft aangevraagd en daarbij een fout heeft gemaakt in het adres van eiser, wordt niet gevolgd. Eiser kan dus terugkeren naar Mogadishu en [plaats 1] . Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat ten tijde van het bestreden besluit een ander ambtsbericht met betrekking tot Somalië gold. Uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 blijkt dat, anders dan in het bestreden besluit staat, er bij de luchthaven van [plaats 2] nu instabiel luchtverkeer is. Eiser zou echter via de luchthaven van [plaats 3] kunnen reizen en vanuit daar ter land naar [plaats 1] kunnen reizen. Uit het ambtsbericht blijkt niet dat dit gebied bezet wordt door [groep] .
De rechtbank stelt vast dat de informatie die verweerder heeft gebruikt algemene landeninformatie betreft, waar eiser zelf ook naar heeft verwezen. Dat eiser niet bekend zou zijn met die informatie en daar niet op zou kunnen reageren, volgt de rechtbank niet. De rechtbank acht de toelichting die verweerder ter zitting heeft gegeven niet in strijd met de goede procesorde.
De rechtbank is wel van oordeel dat er een gebrek kleeft aan het bestreden besluit nu de daar omschreven reisroute niet meer van toepassing is. De rechtbank concludeert echter dat dit gebrek gepasseerd kan worden op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft een andere reisroute in overeenstemming met de landeninformatie aangedragen en niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad.
De rechtbank is ook van oordeel, zoals verweerder terecht heeft gesteld, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het adres, dat uit zijn telefoon is gehaald, niet zou kloppen. De enkele verklaring dat de tussenpersoon een verkeerd adres heeft opgeschreven, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Verweerder heeft op basis van de gegeven informatie Mogadishu als mogelijke plek van terugkeer kunnen opnemen in het terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen als ongegrond.
7. De rechtbank heeft artikel 6:22 van de Awb toegepast en daarom bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; en
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.