RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21209
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor [persoon1] , [persoon2] en [persoon3] (zijn ouders en broer).
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D. Hosseini als tolk en de gemachtigde van de minister. K.C. van Schijndel en F. Temorshah, vrienden van eiser, waren ook aanwezig en hebben aan het einde van de zitting iets gezegd over zijn situatie.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twee weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Samenwoning
Emotionele afhankelijkheid
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag voor een mvv. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1995 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Aan hem is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Eiser heeft op 25 mei 2022 een aanvraag voor een mvv ingediend met het doel dat zijn ouders en broer bij hem in Nederland zouden kunnen verblijven (hij is dus ook de referent in deze procedure). De vader van eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1955, de moeder van eiser op [geboortedatum 3] 1965 en de broer van eiser op [geboortedatum 4] 1998. Zij hebben allen de Afghaanse nationaliteit, en verblijven in Afghanistan. Eiser heeft verklaard dat zij ondergedoken zitten voor de Taliban.
5. De minister heeft de aanvraag voor een mvv afgewezen, omdat geen sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser valt niet onder het jongvolwassenenbeleid, omdat hij in Afghanistan al in zijn eigen onderhoud voorzag, en heeft verklaard dat hij niet afhankelijk is van zijn ouders, maar zijn ouders van hem. Verder is er volgens de minister tussen eiser en zijn ouders en broer geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Volgens de minister is niet gebleken dat de ouders en broer van eiser financieel, materieel en emotioneel van hem afhankelijk zijn. Dat eiser wel met hen heeft samengewoond in Afghanistan, vindt de minister niet doorslaggevend. De minister heeft ook betrokken dat de banden van de ouders en broer van eiser met Afghanistan groter zijn dan die met Nederland. Verder vindt de minister het spijtig dat de ouders en broers onder moeilijke omstandigheden leven in Afghanistan, maar volgens de minister is dit asielgerelateerd en blijkt hieruit ook niet dat sprake is van familie- en gezinsleven.
6. Eiser is het hier niet mee eens, en betoogt dat er wél sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank zal hierna nog verder ingaan op wat eiser hierover heeft aangevoerd.
Wat is het toetsingskader?
7. Familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarigen wordt aangenomen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than normal emotional ties’). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) spreekt in dit kader van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bij de vraag of daarvan sprake is moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.
8. De rechtbank stelt voorop dat zij de het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of familie- en gezinsleven bestaat op grond van bijkomende elementen van afhankelijk volledig toetst. De uitkomst van deze beoordeling of bijkomende elementen van afhankelijk bestaan, toetst zij enigszins terughoudend.1 De minister moet een op het geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat de door die vreemdeling gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid tussen betrokkenen, de gezondheid van betrokkenen, de band met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en het antwoord op de vraag of betrokkenen hebben samengewoond, kunnen bijvoorbeeld een rol spelen. De minister mag ook het antwoord op de vraag of een vreemdeling exclusief van referent afhankelijk is als onderdeel bij haar beoordeling betrekken. Voor het aannemen van bijkomende elementen is het niet vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder referent niet zelfstandig kan functioneren.2
1. ECLI:NL:RVS:2025:3315, r.o. 6.1.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat er tussen eiser en zijn ouders geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan?
9. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat er tussen eiser en zijn ouders en broer niet is gebleken van bijkomende elementen en afhankelijkheid. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
Maatstaf toetsing gezinsleven
10. Eiser voert aan dat de minister een te strenge maatstaf heeft gebruikt bij de beoordeling of sprake is van familie- en gezinsleven. Volgens eiser heeft de minister per element eigenlijk beoordeeld of de gezinsleden zonder elkaar kunnen functioneren. Dat is echter niet de maatstaf die uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt, zoals de Afdeling onlangs ook heeft vastgesteld in de uitspraak van 18 juli 2025, r.o. 3.3.3
11. De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van 18 juli 2025, r.o. 3.3 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister het beoordelingskader onjuist had uitgelegd, omdat in het besluit op bezwaar stond dat er sprake móet zijn van niet zonder elkaar kunnen functioneren. In het geval van eiser heeft de minister dit niet zo gesteld. Uit r.o. 3.2 van de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025 blijkt dat de minister de mate waarin een vreemdeling zelfstandig kan functioneren zonder een referent, of het antwoord op de vraag of een vreemdeling exclusief van een referent afhankelijk is, wel als een onderdeel mag betrekken in de beoordeling of tussen die vreemdeling en referent bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister dit dus betrekken, en blijkt uit het bestreden besluit dat ook andere relevante feiten en omstandigheden zijn meegenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Eiser voert aan dat niet in geschil is dat hij tot zijn vertrek uit Afghanistan met zijn ouders heeft samengewoond. Volgens eiser is dit een bijkomend element van afhankelijkheid.
13. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat samenwoning een indicatie is dat sprake kan zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid, maar dat dit op zichzelf niet voldoende is. De beroepsgrond slaagt niet.
2 ECLI:NL:RVS:2025:3275, r.o. 3.2 en 3.3.
3 ECLI:NL:RVS:2025:3275, r.o. 3.3.
Financiële afhankelijkheid
14. Eiser voert aan dat de eerdere financiële afhankelijkheid niet in geschil lijkt te zijn. Uit zijn verklaringen blijkt dat hij na zijn studie betaalde voor alle boodschappen, kleding, huur, medische kosten en schoolkosten. Daaruit blijkt al dat sprake is van een meer dan gebruikelijke omgang. Bovendien heeft eiser na zijn vertrek zijn ouders en broer financieel ondersteund. De minister legt hem een te zware bewijslast op. De minister werpt in het verweerschrift niet meer tegen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de spaarpot die hij in Irak heeft achtergelaten. De minister moet er dan ook vanuit gaan dat eiser de spaarpot met geld voor zijn familie heeft achtergelaten, en mag dan niet tegenwerpen dat niet duidelijk is hoeveel geld daarin zou zitten. Verder heeft eiser kopieën van persoonlijke leningen overgelegd, en toegelicht dat de personen die het geld naar zijn ouders en broer brengen geen verklaring willen geven omdat zij dan in de problemen komen (zij vrezen voor intrekking van hun verblijfsvergunning, omdat uit hun verklaring zou blijken dat zij naar Afghanistan zijn gereisd). Eiser heeft ook uitgelegd dat het geld via andere mensen bij zijn ouders terecht komt, wat een logische gang van zaken is gelet op de onderduiking. Eiser heeft hiermee wel degelijk aannemelijk gemaakt dat hij geld leent en dit naar zijn ouders gaat. Verder doet de omstandigheid dat financiële ondersteuning op afstand kan worden voortgezet, niet af aan de afhankelijkheid die er nu is. Ook heeft eiser uitgelegd dat zijn ouders nu niet meer van anderen kunnen lenen, omdat zij hen niet meer terug kunnen betalen, zodat ze alleen op hem aangewezen zijn. Eiser volgt ook niet dat het ‘niet ongewoon’ is dat meerderjarige kinderen hun ouders financieel ondersteunen, en dat dit dus niet zou bijdragen aan het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verder is het cynisch dat de minister stelt dat de familie nog onderdak heeft: zij zitten immers ondergedoken, en eiser betaalt dit onderdak.
15. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verklaard dat zijn ouders van hem afhankelijk waren in Afghanistan (hoorzitting, p. 4). Uit eisers verklaringen blijkt dat zijn vader wel inkomen had als docent, maar dat zijn inkomen onvoldoende was om het hele gezin te ondersteunen (gehoor nareis, p. 6). In het bestreden besluit heeft de minister opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is dat gezinsleden elkaar financieel ondersteunen. De minister vindt dit daarom onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank kan de minister hierin volgen. Verder mocht de minister van belang vinden dat uit de stukken die eiser heeft overgelegd, niet blijkt dat hij zijn familie financieel vanuit Nederland ondersteunt. Uit de kopieën van de leningen blijkt immers niet dat het geld ook naar zijn ouders gaat. De rechtbank kan volgen dat eiser meer had moeten uitleggen hoe het geld bij zijn ouders komt, nu hij zelf aangeeft dat hij niet weet waar zijn ouders zitten. Ook volgt de rechtbank niet dat de minister zonder meer moet uitgaan van de verklaring van eiser dat hij een spaarpot met geld heeft achtergelaten in Irak. Verder is van belang dat, ook als wordt aangenomen dat eiser zijn ouders en broer financieel ondersteunt, betrokken mag worden dat de steun ook door eiser op afstand kan worden verleend. Dat dit betrokken mag worden, blijkt uit het arrest Martinez Alvarado van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), paragraaf 40 t/m 43.4 Gelet op het voorgaande mocht de minister onvoldoende aannemelijk vinden dat er vanwege financiële steun door eiser sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De beroepsgrond slaagt niet.
4 Arrest van 10 december 2024, zaaknummer 4470/21, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3275, r.o. 6.2.
De gezondheid van betrokkenen
16. Eiser voert aan dat de minister de medische problemen van zijn ouders en broer in zijn voordeel had moeten meewegen. Volgens eiser is niet in geschil dat hij voor zijn vertrek medicijnen voor zijn ouders haalde en hen in acute situaties naar het ziekenhuis bracht. De minister verricht de verkeerde toets door te stellen dat zij exclusief van eiser afhankelijk moeten zijn. Ook werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser enkel praktische zorg bood: eiser is immers geen arts, en hieruit blijkt wel afhankelijkheid. Verder had de minister de psychische problemen van eiser in zijn voordeel moeten meewegen.
17. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister niet betwist dat de ouders (en nu ook de broer) van eiser gezondheidsproblemen hebben. De minister volgt echter niet dat zij vanwege hun gezondheid van eiser afhankelijk zijn. De rechtbank leest in het bestreden besluit niet dat de minister daarbij de eis heeft gesteld dat sprake moet zijn van exclusieve afhankelijkheid. De minister heeft de verklaringen van eiser betrokken. Daaruit blijkt dat zijn ouders zelf naar het ziekenhuis gingen: eiser bracht hen enkel in acute gevallen en haalde medicijnen. Verder konden zij alles zelf (hoorzitting, p. 6). De rechtbank kan de minister volgen dat hieruit niet blijkt dat de ouders van eiser van hem afhankelijk waren. De rechtbank kan ook volgen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ouders en broer, na zijn vertrek, van hem afhankelijk zijn voor hun gezondheid. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn vader na zijn verblijf in Iran nog door iemand naar een arts / ziekenhuis is gebracht (hoorzitting, p. 7). Daaruit blijkt dat er wel (enige) hulp wordt verleend door anderen en dat de vader van eiser toegang heeft gehad tot medische zorg. Hoewel eiser heeft toegelicht dat hij op afstand zoveel mogelijk probeert te regelen en dat het moeilijk is om hulp te vinden (omdat mensen bang zijn om zijn familie te helpen), kan de rechtbank volgen dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat zijn ouders en broer hierdoor van hem afhankelijk zijn. Verder heeft de minister de psychische problemen van eiser besproken in het kader van emotionele afhankelijkheid. De rechtbank leidt uit de overgelegde stukken uit dat deze problemen zijn ingegeven door de zorg van eiser over zijn ouders en de stress van de procedure (en in die zin dus geen medisch probleem is, waardoor eiser afhankelijk zou kunnen zijn van de zorg van zijn ouders en broer). De rechtbank zal de psychische situatie van eiser hierna verder bespreken, maar volgt dus niet dat dit betrokken had moeten worden in het kader van medische afhankelijkheid. De beroepsgrond slaagt niet.
18. Eiser voert aan dat niet in geschil is dat hij naar de studentenpsycholoog gaat, zich veel zorgen maakt over zijn ouders en stress ervaart. Eiser heeft in beroep een brief van zijn behandelend psycholoog overgelegd, en informatie waaruit blijkt dat hij toestemming heeft gekregen om zijn opleiding tijdelijk stil te leggen. Volgens eiser is dit niet ‘normaal’ en ook geen teken dat hij normaal kan functioneren, maar toont dit juist een hoge mate van emotionele afhankelijkheid aan. Bovendien blijkt uit de jurisprudentie dat de minister er niet de nadruk op mag leggen of de gezinsleden zelfstandig zonder elkaar kunnen functioneren. Verder had de minister in zijn voordeel moeten meewegen dat hij elke week telefonisch contact heeft met zijn ouders en broer. Dit is ook wat hen op de been houdt: de hoop dat ze ooit weg kunnen komen uit Afghanistan. Dat dit op afstand voortgezet kan worden, doet er niet aan af dat dit bijdraagt aan het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie. Eiser wijst daartoe op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 22 december 2022, r.o. 5.2.5
Exclusieve afhankelijkheid
5 ECLI:NL:RBDHA:2022:14980.
19. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van eiser en de stukken die hij heeft overgelegd blijkt dat hij het zwaar heeft en zijn ouders en broer graag bij veilig bij zich zou willen hebben. De minister erkent ook dat eiser zich veel zorgen maakt en stress ervaart. De rechtbank kan de minister volgen dat dit echter niet betekent dat sprake is van emotionele afhankelijkheid. De minister mocht hierbij betrekken dat het niet ongewoon is dat familieleden zich zorgen maken om familieleden die zijn achter gebleven in het land van herkomst, in die zin dat daaruit nog niet volgt dat zij elkaar nodig hebben om op emotioneel gebied te kunnen functioneren. De minister mocht daarbij ook betrekken dat eiser zelfstandig woont en studeert (ondanks dat hij dit tijdelijk heeft moeten stopzetten) en hulp krijgt bij zijn psychische problemen. Verder mocht de minister onvoldoende vinden dat eiser wekelijks telefonisch contact heeft met zijn familie. Hoewel eiser op zichzelf terecht stelt dat dit kan bijdragen aan het bestaan van een afhankelijkheidsrelatie, is in het geval van eiser onvoldoende gebleken dat daarvan sprake is. In de uitspraak waarnaar eiser verwijst waren er meer factoren die maakten dat sprake was van sterke banden. De beroepsgrond slaagt niet.
20. Nu de rechtbank de motivering van de minister kan volgen dat geen sprake is van afhankelijkheid vanwege de samenwoning, en op financieel, medisch en emotioneel gebied, volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn betoog dat sprake is van exclusieve afhankelijkheid.
Banden met het land van herkomst
21. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte de banden van zijn ouders en broer heeft vergeleken met hun banden met Nederland. Bovendien mogen hun banden met Afghanistan niet in hun nadeel wegen, omdat zij daar ondergedoken zitten. De minister heeft dit ten onrechte opzijgeschoven met dat dit ‘asielgerelateerd’ zou zijn.
22. De rechtbank oordeelt dat het betoog van eiser niet tot een andere uitkomst leidt. De ouders en broer van eiser zijn opgegroeid in Afghanistan. In het Informatiebericht 2024/57 heeft de minister toegelicht dat dit impliceert dat er sprake is van een sociaal netwerk en bekendheid met en toegankelijkheid tot de (sociale) voorzieningen. Dit zou anders zijn als de ouders en broer in een derde land zouden verblijven. In die zin mocht de minister het dan ook betrekken bij de beoordeling. De minister is daarbij ook ingegaan op de omstandigheden die eiser heeft genoemd. De rechtbank kan volgen dat – ondanks de problemen van de ouders en broer met de Taliban – uit de verklaringen van eiser blijkt dat zij nog contact hebben met de familie en dat zijn vader tenminste één keer hulp heeft gehad bij het vervoer naar een arts / het ziekenhuis. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
23. Het voorgaande betekent dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister hoefde daarom geen mvv te verlenen. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.