[eiser] , eiser en verzoeker (hierna eiser)
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening die ertoe strekt niet te worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit van 1 september 2025 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Eiser is zonder bericht van afwezigheid niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hieronder zal zij verder toelichten hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het besluit
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Deze regels zijn vastgelegd in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere Europese lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
6. Eiser heeft op 13 mei 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Verweerder heeft op 16 mei 2025 aan de autoriteiten van Spanje verzocht om eisers asielaanvraag over te nemen, omdat hij in het bezit was van een (Schengen)visum afgegeven door Spanje geldig van 10 mei 2025 tot 5 juni 2025.
De autoriteiten van Spanje hebben op 5 juni 2025 laten weten het verzoek tot overname af te wijzen, omdat het EU-VIS resultaat ontbrak.
7. In de tussentijd, namelijk op 26 mei 2025 heeft verweerder nogmaals een verzoek aan de Spaanse autoriteiten voor overname van de asielaanvraag van eiser ingediend.
De autoriteiten van Spanje hebben op 6 juni 2025 laten weten ook dat verzoek af te wijzen, omdat de datum van de asielaanvraag van eiser in Nederland ontbrak en er geen officieel Eurodac-resultaat is bijgevoegd.
8. Met een brief van 6 juni 2025 is aan de Spaanse autoriteiten een herzieningsverzoek gedaan van de afwijzing van het verzoek tot overdracht van 5 juni 2025. Verweerder heeft hiertoe het paspoort van eiser overgelegd met het Spaanse visum, waaruit volgens verweerder blijkt dat Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.
De autoriteiten van Spanje hebben op 11 juni 2025 gereageerd op het herzieningsverzoek. Het verzoek tot overdracht is volgens de Spaanse autoriteiten nog steeds incompleet en het EU-VIS resultaat ontbreekt bij dat verzoek. Het herzieningsverzoek is daarom afgewezen.
9. Op 16 juli 2025 is er opnieuw een verzoek tot overname ingediend bij de Spaanse autoriteiten, vanwege het Spaanse visum van eiser.
De Spaanse autoriteiten zijn op 18 juli 2025 met dit verzoek akkoord gegaan.
Het bestreden besluit
10. Vervolgens heeft verweerder met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De beroepsgronden
11. Eiser voert – samengevat – aan dat de overdrachtstermijn is verstreken, dat eiser niet opnieuw kan worden overgedragen aan Spanje en zijn asielaanvraag moet worden behandeld in de nationale procedure. Er was geen sprake van nieuwe informatie en de EU-VIS registratie was al bekend. Eiser heeft er daarnaast gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat zijn asielaanvraag in de nationale procedure zou worden behandeld. Verder kan er ten aanzien van Spanje niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft daarbij een beroep gedaan op het AIDA Country Report van april 2025 en gesteld dat uit dat rapport volgt dat er grote problemen zijn bij het verkrijgen van opvang en toegang tot de asielprocedure. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevuld dat het bestreden besluit in strijd is genomen met artikel 5 van de Uitvoeringsverordening. Hieruit volgt dus dat het verzoek van verweerder van 16 juli 2025 te laat is gedaan.
De goede procesorde
12. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het beroep van eiser op artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening buiten beschouwing dient te worden gelaten, wegens strijd met de goede procesorde. Daarvan is volgens verweerder sprake, omdat hij zich niet heeft kunnen voorbereiden op een verweer op dat punt.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met de goede procesorde. Nog daargelaten dat de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf de rechtsgronden ambtshalve moet aanvullen, is de rechtbank van oordeel dat de verwijzing naar artikel 5, tweede lid van de Uitvoeringsverordening moet worden beschouwd als een nadere onderbouwing van de in het beroepschrift opgenomen beroepsgrond over de overdrachtstermijn en de afwezigheid van nieuwe informatie. Daar komt bij dat de gemachtigde van verweerder, na een schorsing van het onderzoek ter zitting, in staat bleek om adequaat en onder verwijzing naar rechtspraak te reageren op (de toepasselijkheid van) artikel 5, tweede lid van de Uitvoeringsverordening. Daarbij heeft verweerder gewezen op overweging 87 van het arrest X en X en zich op het standpunt gesteld dat hij nog tijd had om een nieuw verzoek tot overname aan Spanje te doen. Volgens verweerder is de fatale termijn namelijk drie maanden en niet drie weken, zoals genoemd in artikel 5, tweede lid van de Uitvoeringsverordening.
De overdrachtstermijn/ het verzoek om herziening
13. De rechtbank overweegt dat uit artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening volgt dat wanneer een verzoekende lidstaat van oordeel is dat de weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, er een herzieningsverzoek kan worden gedaan. Van deze mogelijkheid moet gebruik worden gemaakt binnen de drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord. De aangezochte lidstaat moet binnen twee weken antwoorden.
Het Hof heeft in het arrest X en X overwogen dat de Uniewetgever een aantal dwingende termijnen heeft vastgesteld voor de verwezenlijking van het in de Dublinverordening opgenomen doel om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen door te waarborgen dat deze procedures worden uitgevoerd zonder onnodige vertraging. De mogelijkheid voor de verzoekende lidstaat om de aangezochte lidstaat te vragen een verzoek opnieuw te onderzoeken, nadat deze heeft geweigerd gevolg te geven aan een overname- of terugnameverzoek, vormt een ‘aanvullende procedure’.
Artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening moet derhalve op zodanige wijze worden uitgelegd dat de duur van de aanvullende procedure voor heroverweging strikt en voorzienbaar is afgebakend. Een heroverwegingsprocedure van onbepaalde duur, is onverenigbaar met het doel van een snelle benadeling. Aan dit doel is vormgegeven door een strikt tijdsbestek. De mogelijkheid om een herzieningsverzoek te doen verstrijkt dan ook na de dwingende termijn van drie weken. De aangezochte lidstaat beijvert zich vervolgens om binnen twee weken te antwoorden, maar als dat niet gebeurt, betekent dat niet dat de verantwoordelijkheid van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overgaat op de aangezochte lidstaat. Wel heeft dit als gevolg dat de aanvullende procedure voor heroverweging definitief beëindigd wordt.
Tenzij de verzoekende lidstaat nog over de benodigde tijd beschikt om de binnen de dwingende termijnen van de Dublinverordening een nieuw verzoek tot over- of terugname in te dienen, moet de verzoekende staat worden aangemerkt als verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het verweerder niet vrij staat om na drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord een heroverwegingsverzoek in te dienen, maar, als daar nog tijd voor is, wel een nieuw verzoek tot over- of terugname kan doen. De rechtbank stelt vast dat verweerder dat in dit geval ook heeft gedaan door opnieuw een standaardformulier in te vullen en niet slechts om heroverweging te verzoeken, zoals hij dat bijvoorbeeld wel op 6 juni 2025 heeft gedaan. Dat de onderliggende gegevens al bekend waren bij verweerder of bekend hadden moeten zijn, doet daar niet aan af. De beroepsgrond van eiser dat verweerder te laat heeft verzocht om heroverweging en geen sprake is van nieuwe informatie, treft dus geen doel.
Het vertrouwensbeginsel
14. De rechtbank is verder van oordeel dat het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Uit geen van de gedingstukken volgt namelijk dat aan eiser een toezegging is gedaan dat zijn asielaanvraag in Nederland zal worden behandeld. In de brief van 9 juni 2025 staat slechts dat de grensprocedure wordt beëindigd en dat dat betekent dat eiser alsnog toegang krijgt tot Nederland. Dat in die brief ook staat dat eiser een uitnodiging krijgt voor de asielprocedure in één van de Land AC’s, is onvoldoende om als een toezegging aan te merken. Uit de overige stukken, zoals het e-mailbericht van 11 juni 2025 en de brief van 11 juni 2025, is een voorbehoud gemaakt door te schrijven dat eiser ‘in beginsel’ zal worden toegelaten tot de nationale procedure respectievelijk dat de asielaanvraag ‘in beginsel’ verder zal worden behandeld in de nationale procedure.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
15. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het beroep van eiser dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan, niet slaagt. De rechtbank verwijst ter motivering van haar oordeel naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 22 augustus 2025. In die zaak was onder meer hetzelfde AIDA-rapport van 2025 ingebracht als in deze zaak. De rechtbank kwam in die zaak tot de conclusie dat er weliswaar problemen waren in Spanje, maar dat niet aannemelijk is geworden dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.
Conclusie en gevolgen
16. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Omdat op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.42191:
- verklaart het beroep ongegrond;
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.42192:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:69
1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.
Uitvoeringsverordening
Artikel 5
1. Wanneer de aangezochte lidstaat na onderzoek van oordeel is dat op grond van de voorgelegde elementen niet kan worden besloten dat hij verantwoordelijk is, wordt het negatieve antwoord dat hij de verzoekende lidstaat toezendt uitvoerig gemotiveerd en worden de redenen voor de weigering in detail uiteengezet.
2. Wanneer de verzoekende lidstaat van oordeel is dat de weigering op een beoordelingsfout berust of wanneer hij over aanvullende elementen beschikt die hij kan doen gelden, kan hij vragen dat zijn verzoek opnieuw wordt onderzocht. Van deze mogelijkheid moet gebruik worden gemaakt binnen de drie weken na ontvangst van het negatieve antwoord. De aangezochte lidstaat beijvert zich om binnen twee weken te antwoorden. Deze aanvullende procedure leidt er in geen geval toe dat de in artikel 18, leden 1 en 6, en artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 343/2003 bedoelde termijnen opnieuw ingaan.
Dublinverordening
Artikel 21
1. De lidstaat waarbij een verzoek om internationale bescherming is ingediend en die van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek, kan die andere lidstaat zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek in de zin van artikel 20, lid 2, om overname verzoeken.
Niettegenstaande de eerste alinea wordt, in het geval van een Eurodac-treffer met gegevens die zijn opgeslagen overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 603/2013 het verzoek uiterlijk twee maanden na ontvangst van de treffer toegezonden overeenkomstig artikel 15, lid 2, van die verordening.
Indien er binnen de in de eerste en tweede alinea vastgelegde termijnen geen verzoek tot overname van de verzoeker wordt ingediend, is de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk voor de behandeling ervan.
2. De verzoekende lidstaat kan om een spoedig antwoord vragen indien het verzoek om internationale bescherming enkel is ingediend als gevolg van een weigering tot toegang of verblijf, een aanhouding wegens illegaal verblijf of de betekening of de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel.
In het overnameverzoek wordt gemotiveerd op welke gronden met spoed een antwoord nodig is en binnen welke termijn dit antwoord wordt verwacht. Die termijn dient minstens één week te bedragen.
3. In de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen wordt het verzoek om overname door een andere lidstaat met behulp van een standaardformulier gedaan en gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen zoals omschreven in de twee in artikel 22, lid 3, genoemde lijsten, en/of relevante elementen uit de verklaring van de verzoeker aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is.
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen eenvormige voorwaarden vast voor het voorbereiden en het indienen van overnameverzoeken. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.