ECLI:NL:RBDHA:2025:27196

ECLI:NL:RBDHA:2025:27196

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-12-2025
Datum publicatie 02-02-2026
Zaaknummer NL25.10118
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

VK - asiel, Turkije, onvoldoende gemotiveerd waarom biseksuele gerichtheid ongeloofwaardig, beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.10118

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.K. van der Steen - Jhinnoe).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Op 28 maart 2023 heeft hij een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2025 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Problemen vanwege politieke activiteiten

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de biseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij vanwege zijn politieke activiteiten (voor de Halkların Demokratik Partisi (HDP) en de Durustmani-vereniging) en zijn biseksuele geaardheid gevaar loopt in Turkije. Er is hierover tweemaal een dreigbrief naar hem gestuurd. Verder heeft eiser discriminatie ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst, en heeft hij bezwaren tegen de militaire dienstplicht.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

6. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Volgens de minister is het enkele feit dat eiser uit Turkije komt echter onvoldoende om aan te nemen dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.

7. De minister acht niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft vanwege zijn politieke activiteiten. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten gegeven om dit te onderbouwen, en heeft hij daarvoor geen goede verklaring (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)). Eiser heeft namelijk enkel een proces-verbaal ingediend waaruit blijkt dat hij slachtoffer is geworden van een messteekincident tijdens een demonstratie in 2013. Daaruit blijkt niet dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn politieke activiteiten. Ook heeft eiser verklaard dat er een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt. Daarvan had eiser documentatie kunnen overleggen. Ook heeft eiser de dreigbrieven vernietigd. Verder vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw). Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk niet duidelijk waarom de Turkse autoriteiten naar eiser op zoek zouden zijn. Ook heeft eiser summier verklaard over de vermoedelijke schrijver(s) van de dreigbrieven, en wisselend verklaard over waar de dreigbrieven zijn afgeleverd. Verder heeft eiser wisselend verklaard over de deelname aan demonstraties. De minister werpt ook tegen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d van de Vw). Eiser heeft verklaard dat hij op 11 juli 2022 in Nederland is aangekomen, maar heeft zich pas op 28 maart 2023 gemeld voor asiel. Hij verklaart wisselend over de reden waarom hij zich niet eerder heeft gemeld. Ook heeft hij geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij niet in staat was om asiel aan te vragen.

8. De minister acht de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser geeft onvoldoende inzicht in de thema’s uit de Werkinstructie (WI) 2019/17: “privéleven (waaronder familie, vrienden, relaties en omgeving)” en “discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst”. De minister werpt onder andere tegen dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe hij door de gesprekken met [persoon1] in Polen erachter is gekomen dat hij biseksueel is, niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de relatie met [persoon2] persoonlijk ervaren heeft, en heeft verklaard dat hij in 2013 ook was neergestoken vanwege zijn seksuele voorkeur, maar daar vervolgens niet verder over wilde praten. Verder heeft eiser wisselend verklaard over het intrekken van de aangifte. Ook heeft hij verklaard dat hij zijn seksuele gerichtheid niet als asielmotief wil aandragen omdat hij dit kan verbergen bij terugkeer naar Turkije.

9. De minister acht de discriminatie van eiser vanwege zijn Koerdische afkomst niet geloofwaardig. De minister wijst op paragraaf C1/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire (2000), waaruit volgt dat de IND als discriminatie aanmerkt als iemand zo ernstig beperkt wordt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake, omdat uit zijn verklaringen blijkt dat hij wel toegang had tot zorg en onderwijs.

10. De minister acht niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft met betrekking tot de militaire dienstplicht. Volgens de minister is geen sprake van één van de drie situaties voor vluchtelingschap, die zijn benoemd in paragraaf C1/3.2.7 van de Vc. De minister betrekt daarbij dat eiser heeft verklaard dat hij niet wil dienen vanwege zijn etnische afkomst, maar dat zijn verklaring ook blijkt dat afkopen een optie is. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat sprake is van een discriminatoire bestraffing van dienstontduikers. Verder is het niet willen dienen vanwege etnische afkomst geen onoverkomelijk gewetensbezwaar vanwege religie of een andere diepgewortelde overtuiging. De minister concludeert dat de asielaanvraag van eiser wordt afgewezen als ongegrond.

11. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet geloofwaardig is dat eiser problemen heeft vanwege zijn politieke activiteiten. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.

Documenten

De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft gegeven. De minister heeft er terecht op gewezen dat de dreigbrieven het enige aanknopingspunt waren dat de Turkse autoriteiten op de hoogte waren van zijn politieke activiteiten. Eiser heeft verklaard dat hij deze heeft vernietigd vanwege het risico dat hij daarmee zou lopen. De rechtbank is van oordeel dat dit aan eiser mocht worden tegengeworpen, omdat deze dreigbrieven de aanleiding zouden zijn geweest om Turkije te verlaten, en van eiser verwacht mag worden dat hij zijn asielmotief onderbouwt met documenten. Alleen daarom al heeft de minister kunnen tegenwerpen dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het betoog van eiser dat niet van hem mag worden verwacht dat hij documentatie van de strafzaak overlegt, behoeft daarom geen bespreking.

Verklaringen en landeninformatie

De rechtbank volgt de minister ook in zijn standpunt dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft met de Turkse autoriteiten vanwege zijn politieke activiteiten. De minister betwist niet dat eiser gedachtegoed (een politieke overtuiging) heeft. Wel werpt de minister tegen dat eiser wisselend heeft verklaard over hoe vaak hij heeft deelgenomen aan de demonstraties van de HDP. Eiser stelt dat sprake was van een verspreking: hij heeft slechts één keer deelgenomen aan een demonstratie van de PKK, en meerdere malen aan die van HDP. Ook als de rechtbank eiser hierin volgt, blijkt uit de verklaringen van eiser echter dat hij vanaf 2016 niet meer actief was en alleen nog deelnam aan belangrijke evenementen van de HDP en de Durustmani-vereniging. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser niet

aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn activiteiten in de negatieve belangstelling is komen te staan. Volgens eiser blijkt uit de dreigbrieven dat de Turkse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn politieke activiteiten (en zijn geaardheid). Eiser stelt dat de afzender van de dreigbrieven wel banden moet hebben met de Turkse autoriteiten, omdat de brieven getuigen van een diepgaande kennis van zijn politieke activiteiten, privéleven en geaardheid. Eiser heeft echter niet duidelijk gemaakt welke details precies in de brieven zijn genoemd en waarom alleen iemand gelinkt aan de overheid daarvan op de hoogte kan zijn. De rechtbank volgt de minister daarom in zijn standpunt dat eiser zijn vermoedens dat de autoriteiten hem bedreigen summier en oppervlakkig heeft onderbouwd. Wat betreft het eerdere contact van eiser met [persoon3] , blijkt uit zijn verklaringen dat [persoon3] inmiddels is overleden, en dat eiser de meeste beelden van de gesprekken en de berichten met hem heeft verwijderd. Eiser stelt dat de Turkse autoriteiten hiervan desondanks op de hoogte zijn. Hij wijst daartoe op het Algemeen Ambtsbericht (AAB) Turkije van februari 2025, p. 63 en 65. Hieruit blijkt onder andere dat de Turkse autoriteiten gebruik maken van informanten, en dat het plaatsen, delen en liken van DEM(voorheen HDP)-gezinde berichten op sociale media kan leiden tot negatieve aandacht. Dat uit algemene informatie blijkt dat het mogelijk is dat HDP-aanhangers worden gemonitord, is echter onvoldoende om aan te nemen dat dit in het geval van eiser ook is gebeurd. Verder mocht de minister van belang vinden dat eiser volgens zijn verklaringen tot 2022 probleemloos in Turkije kon verblijven, en meerdere keren legaal kon in- en uitreizen. Hoewel uit het AAB van augustus 2023, p. 18, blijkt dat het mogelijk is om in- en uit te reizen terwijl een strafrechtelijk onderzoek of strafzaak loopt, mag het wel bij de beoordeling worden betrokken. Dat eiser meerdere keren legaal kon in- en uitreizen duidt er niet op dat hij in de negatieve belangstelling stond, en mag dus betrokken worden.

De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat de door de minister verrichte toets van het risico bij terugkeer onjuist is. Eiser wijst erop dat niet noodzakelijk is dat iemand al vervolgd is door de autoriteiten. Het is dus niet enkel de vraag of hij al problemen heeft gehad vanwege zijn politieke activiteiten. Verder heeft de minister zelf DEM(voormalig HDP)-leden en -activisten aangemerkt als risicoprofiel in zijn eigen beleid (par. C7/34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). De minister gaat er volgens eiser ten onrechte vanuit dat alleen leden van HDP risico lopen. De minister wijst op het AAB van februari 2025, maar daarin wordt weer verwezen naar het AAB van augustus 2023 en het AAB van maart 2022. In het AAB van 2022 wordt HDP uitgebreid besproken, en daaruit blijkt dat ook personen die alleen bijeenkomsten bijwonen en deelnemen aan demonstraties gevaar lopen. Eiser wijst er ook op dat uit hij ook na zijn vertrek uit Turkije politieke berichten heeft geplaatst op X. Hoewel de rechtbank eiser volgt in zijn betoog dat niet alleen leden, maar ook aanhangers van de HDP problemen kunnen ondervinden, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat er in het geval van eiser geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. De minister mocht daarbij betrekken dat eiser vanaf 2016 slechts marginale activiteiten heeft verricht. De rechtbank merkt ook op dat eiser in het nader gehoor (NG) heeft verklaard dat hij nog wel een aanhanger is van de HDP, maar met een kritische blik (p. 13). Het plaatsen door eiser van enkele berichten op X mocht de minister onvoldoende vinden om aan te nemen dat eiser in de negatieve aandacht zal komen te staan. De rechtbank ziet in de ambtsberichten geen aanknopingspunten dat elke politieke uiting zal leiden tot negatieve aandacht. Eiser heeft het risico / de gegronde vrees voor hem bij terugkeer dus onvoldoende individueel gemaakt.

Later indienen van de asielaanvraag

Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, en daar geen goede verklaring voor heeft (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw). Eiser is op 14 juli 2022 Nederland ingereisd, en heeft op 28 maart 2023 pas zijn asielaanvraag ingediend. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat uit de brieven van de psycholoog van eiser niet blijkt dat eiser niet in staat was om asiel aan te vragen. Bovendien heeft eiser wisselend verklaard over de redenen waarom hij zich pas later heeft gemeld. Zo verklaart eiser in het aanmeldgehoor, p. 5, dat hij zich vanwege zijn psychische situatie later heeft gemeld, en vervolgens op p. 11 dat hij in de veronderstelling was dat hij zijn problemen in Turkije kon oplossen. Hoewel dit niet maakt dat het asielrelaas van eiser zonder meer ongeloofwaardig is, mocht de minister dit wel meewegen in de beoordeling.

Problemen vanwege militaire dienstplicht

12. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de problemen van eiser met betrekking tot de militaire dienstplicht niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij niet in dienst wil vanwege zijn Koerdische afkomst. Hij vreest dat hij zal worden ingezet tegen zijn eigen volk. De minister heeft hierover terecht opgemerkt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij de dienstplicht moet vervullen, en dat uit zijn verklaringen blijkt dat het ook mogelijk is om dit af te kopen (NG, p. 58). De verwijzing van eiser naar het AAB van februari 2025 treft geen doel. Hoewel uit het AAB blijkt dat niet uitgesloten is dat Koerdische dienstplichten worden gelegerd in Zuidoost-Turkije, waar de Turkse strijdkrachten in conflict waren met de PKK, staat er ook dat dienstplichtigen in beginsel niet werden ingezet bij gevechtshandelingen (p. 93). Verder blijkt uit het AAB van februari 2025 (p. 93) dat er geen informatie is gevonden waaruit duidelijk werd dat dienstplichtontduikers en deserteurs onevenredig werden bestraft indien zij een bepaalde etniciteit, religie, politieke overtuiging, seksuele geaardheid en/of genderidentiteit hadden. Dat uit het AAB (p. 55-57) blijkt dat er in het algemeen sprake is van discriminatie tegen Koerden, mocht de minister onvoldoende vinden aan te nemen dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade.

Biseksuele gerichtheid

13. De rechtbank oordeelt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de biseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.

Privéleven

Eiser heeft verklaard dat hij vanaf zijn 10e of 11e jaar seksuele aantrekkingskracht voor jongens begon te voelen en dat dit begon bij zijn jeugdvriend [persoon4] (NG, p. 24). Volgens de minister heeft eiser weinig inzicht gegeven in zijn gevoelens voor [persoon4] . De minister erkent dat eiser zich wellicht weinig kan herinneren van zijn jongere jaren, en dat dit hem daarom niet tegengeworpen mag worden. De rechtbank merkt op dat eiser inderdaad heeft verklaard dat hij zich niet precies kan herinneren op welk moment hij gevoelens voor [persoon4] begon te krijgen. Wat hij zich ervan kan herinneren is dat ze steeds samen optrokken en steeds probeerden om nader tot elkaar te komen (NG, p. 25). Eiser heeft echter ook verklaard dat hij zich schuldig voelde na eerste seksuele ervaring met [persoon4] en heeft daar – vanuit zijn huidige psychische positie – inzicht in gegeven. Eiser heeft onder andere

toegelicht dat dit invloed op hem had, omdat hij hier niet over kon praten. Als dit met een meisje was gebeurd, had hij er waarschijnlijk ook niet over kunnen praten. Dat is vanwege zijn opvoeding en “omgeving die alles geheim probeert te houden”. Eiser heeft op vragen over de schuldgevoelens van hem en [persoon4] ook verklaard dat hij niet direct voor zichzelf kon vaststellen of dit iets natuurlijks was of dat het van cultuur afkomstig was (NG, p. 26 en 27). Hoewel eiser weinig kon verklaren over zijn gevoelens destijds heeft eiser dus wel - vanuit zijn huidige positie – teruggeblikt op deze periode en inzicht gegeven in zijn schuldgevoelens. De rechtbank volgt de minister daarom niet in zijn standpunt dat eiser weinig inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens voor [persoon4] .

Eiser heeft verder verklaard dat hij na de uitwisseling naar Polen erachter is gekomen dat hij zijn biseksuele gevoelens onderdrukt had. Volgens de minister heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe dit proces verlopen is. Eiser zou niet hebben verduidelijkt hoe hij er – door de gesprekken met [persoon1] – achter is gekomen dat biseksualiteit niet fout is, maar een cultureel gerelateerd onderwerp is. Eiser zou immers enkel hebben verklaard dat hij samen met [persoon1] een stap heeft gezet (NG, p. 36). De rechtbank volgt de minister hierin niet. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn onderzoek in Polen niet alleen bestond uit de gesprekken met [persoon1] , maar ook uit zoeken op internet (NG, p. 33). Eiser heeft verklaard dat hij met [persoon1] in gesprek is geraakt vanwege zijn antwoord op de vraag op een formulier (over wat hij van de LHBTI-gemeenschap vond). Tijdens dat gesprek bleek dat [persoon1] biseksueel is. Ze hebben verder gepraat toen eiser daar logeerde en ze beiden aangeschoten waren (NG, p. 31-33). Eiser heeft vervolgens verklaard dat hij samen met [persoon1] een stap heeft gezet, en dat die stap is: een antwoord op de vraag of hij zichzelf als biseksueel kan definiëren, of hij dat moet doen. Eiser heeft vervolgens toegelicht dat hij na de gesprekken met [persoon1] seksuele ervaringen heeft gehad met een andere Pool. Toen dacht hij: “ja, ik ben biseksueel. Ik voelde me gelukkig. Ik had er geen spijt van” (NG, p. 36). De rechtbank ziet niet in waarom deze verklaringen onvoldoende inzichtelijk zijn. De rechtbank volgt de minister ook niet in zijn standpunt dat eiser niet heeft verduidelijkt wat hij precies op internet heeft gelezen en hoe dit impact op hem heeft gehad. Eiser heeft toegelicht dat hij op internet eerst informatie op religieus niveau vond: men vond dat het een psychische aandoening was. Dat had geen impact op hem, omdat hij al afstand had genomen van de godsdienst (NG, p. 34). Op een gegeven moment is hij in het Engels gaan zoeken, en toen kwam hij heel andere informatie tegen, onder andere dat seksuele voorkeur aangeboren kan zijn en dat iemand het ook kan aannemen. Deze informatie heeft eiser vervolgens op zichzelf toegepast: op dit moment noemt hij zichzelf biseksueel, maar het is niet een vaststaand gegeven. Seksuele voorkeur is een samenspel van aangeboren en later aangeleerde keuzes (NG, p. 35). De rechtbank ziet niet in waarom dit onvoldoende concreet zou zijn, en onvoldoende inzicht zou bieden in het innerlijke proces.

Wat betreft de relatie van eiser met [persoon2] erkent de minister dat eiser meer heeft verklaard dan in het voornemen is aangehaald. Volgens de minister blijven ook de overige verklaringen van eiser echter te oppervlakkig (dat eiser [persoon2] leuk vindt, dat hij positief was en dat zijn uiterlijk aantrekkelijk was). Ook heeft eiser volgens de minister niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de relatie persoonlijk ervaren heeft. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Eiser heeft namelijk ook verklaard dat [persoon2] erg open minded was en dat hij zich heel erg bij hem op zijn gemak voelde. Hun politieke overtuigingen waren tegenovergesteld aan elkaar, maar desondanks had [persoon2] het geaccepteerd. Daarom kon eiser met hem wel praten over zijn biseksualiteit (NG, p. 37). Eiser heeft ook verklaard over een gevoel van veiligheid, en dat [persoon2] erg positief was ingesteld en erg gesteld was op zijn

carrière (NG, p. 39). De relatie zelf heeft eiser beschreven als “voorzichtig, maar mooi” (NG, p. 38). Eiser heeft onder andere verklaard dat [persoon2] heel erg teruggetrokken was de drie maanden van hun relatie, en het niet kon opbrengen om de relatie voort te zetten. [persoon2] zei steeds: “alles had anders kunnen zijn”, waarmee hij volgens eiser erop doelde dat de omstandigheden en de samenleving waarin zij leefden zich niet leenden daarvoor (voor hun relatie). Op de vraag wat het met hem deed dat [persoon2] de relatie niet wilde voortzetten, heeft eiser onder andere verklaard dat hij er goed begrip voor had. Hij had voor zichzelf geaccepteerd dat ze alleen in privédomein een relatie zouden hebben, maar [persoon2] wilde buiten en binnen hetzelfde gezicht tonen. Over het verborgen houden van de relatie, heeft eiser onder andere verklaard: ‘het is een verdrietige situatie, maar je accepteert het wel’.

Verder heeft eiser verklaard dat het hem een mooi gevoel gaf dat hij [persoon2] na het beëindigen van de relatie niet kwijt was (zij bleven vrienden) (NG, p. 40). Naar het oordeel van de rechtbank geeft eiser met deze verklaringen inzicht in wat hem aantrok in [persoon2] , en in hoe hun relatie is verlopen. Ook benoemt eiser gevoelens van [persoon2] en hemzelf. De rechtbank ziet niet in dat deze verklaringen te oppervlakkig of summier zouden zijn.

Verder heeft eiser weliswaar verklaard dat hij zijn geaardheid bij terugkeer naar Turkije kan verbergen en dat de minister dit daarom als asielmotief mag vergeten (NG, p. 42), maar dat betekent niet dat de minister dit ook zo mocht opvatten. Eiser heeft dit namelijk verklaard nadat hij ermee werd geconfronteerd dat er een derde gehoor zou plaatsvinden. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat het eerdere gehoor 7 uur had geduurd, en het gehoor nu weer zo lang duurde. Eiser verklaart ook: “Nu gaan we gaandeweg veel dieper in op onderwerpen die effect hebben op mijn psychische gesteldheid.” Eiser heeft ook bevestigd dat het omgaan met zijn seksuele gerichtheid toch wel een probleem is als hij zou teruggaan naar Turkije, en dat ze daar over kunnen praten (NG, p. 42 en 43). De rechtbank leidt hieruit af dat de verklaring van eiser is ingegeven door de druk de uren gehoor hebben teweeggebracht. Dit mocht daarom niet aan eiser worden tegengeworpen.

Discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst

Verder heeft eiser enerzijds verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden in Turkije, omdat hij zijn seksuele gerichtheid verborgen hield (NG, p. 6) en anderzijds dat hij in 2023 is neergestoken vanwege zijn seksuele voorkeur (proces-verbaal verhoor p. 2). Bij de confrontatie hiermee heeft eiser verklaard dat hij bij een demonstratie is neergestoken vanwege zijn politieke voorkeur en seksuele geaardheid, maar dat hij het er verder niet over wil hebben. Eiser heeft toegelicht dat hij met [persoon5] was gezien in het bos, maar dat eiser zelf niet wilde geloven dat zij een seksuele relatie hadden. Eiser erkent dat hij het verhaal met [persoon5] niet eerder aan de IND heeft verteld, omdat hij er slecht van werd. Hij wil het moment uit zijn leven wissen (NG, p. 50 en 51). Hoewel de minister op zichzelf terecht opmerkt dat de verklaringen van eiser, ook over het intrekken van de aangifte, tegenstrijdig zijn, had de minister hier naar het oordeel van de rechtbank de toelichting van eiser bij moeten betrekken. Dat eiser eerder anders heeft verklaard, kan immers ook in het licht worden gezien van zijn angst om hierover te verklaren.

Beeldmateriaal

Wat betreft het overgelegde WhatsApp-correspondentie heeft de minister in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat dit, ook als dit zou worden meegenomen, onvoldoende is om de biseksualiteit van eiser geloofwaardig te achten in het licht van de verder summiere en oppervlakkige verklaringen van eiser. Zoals hiervoor is toegelicht, volgt de rechtbank niet dat de verklaringen van eiser summier en oppervlakkig zijn. De

WhatsApp-correspondentie die eiser heeft overgelegd kan naar het oordeel van de rechtbank ook niet als expliciet beeldmateriaal worden gezien, en kan de verklaringen van eiser dus ondersteunen. De minister had dit daarom moeten betrekken bij de beoordeling.

Conclusie en gevolgen

14. Nu de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de biseksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is en de WhatsApp-correspondentie ten onrechte niet heeft betrokken, kan de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand blijven. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De toelichting van de minister op de zitting, dat homo/-biseksualiteit niet strafbaar is in Turkije zodat dit zonder meer geen grond kan zijn voor vergunningverlening, acht de rechtbank onvoldoende. Het is aan de minister om aan de hand van actuele landeninformatie te onderzoeken of eiser, gelet op wat hij heeft verklaard over zijn biseksuele gerichtheid, bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

12 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.E.A. Braeken

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?