RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 17 december 2025 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 24/13285 en AWB 24/12364
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ince),
en
(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiser heeft op 27 september 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige bij [bedrijf] ’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2022 afgewezen. Met het besluit van 29 juni 2022 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Tegen dat besluit heeft eiser op 8 juli 2022 beroep ingediend. Het beroep van eiser is met de uitspraak van 24 mei 2023 door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, gegrond verklaard vanwege schending van de hoorplicht.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister eiser op 22 mei 2024 gehoord. Met het bestreden besluit van 4 juli 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder afmelding, niet verschenen. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
De minister heeft de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘arbeid als zelfstandige’, kort samengevat, afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige mvv voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste en hij niet voldoet aan het documentatievereiste.
Met het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat ingevolge artikel 3.77, eerste lid, onder c, van het Vb in samenhang gelezen met paragraaf B1/4.4 van de Vc de aanvraag van eiser dient te worden afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder d van de Vw wegens gevaar voor de openbare orde. Eiser is namelijk wegens overtreding van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht onherroepelijk veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar. Gelet hierop vormt eiser volgens de minister een gevaar voor de openbare orde.
Overwegingen
4. Eiser voert, samengevat, het volgende aan. De minister heeft ten onrechte geconcludeerd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde zonder een individueel onderzoek te verrichten naar zijn persoonlijke omstandigheden. De betrokkenheid van eiser bij het strafrechtelijk incident is namelijk niet zodanig van aard dat er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Eiser heeft geen ernstige misdrijven gepleegd en de situatie is inmiddels volledig afgewikkeld. De belangen van eiser zijn in het bestreden besluit onvoldoende meegewogen en de afwijzing is onevenredig zwaar gezien de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser heeft bijvoorbeeld sterke banden met Nederland, onder meer vanwege familieleden die hier woonachtig zijn, en hij voldoet verder aan alle vereisten
voor de vergunning. Een afwijzing zou leiden tot een disproportionele inbreuk op zijn recht op gezinsleven, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister had moeten toetsen aan het Unierechtelijk openbare ordecriterium. Uit zowel de werkinstructie 2023/1 als de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 april 2005 volgt dat op Turkse zelfstandigen niet het Unierechtelijke openbare ordecriterium van toepassing is maar de nationale regelgeving. Er is namelijk geen rechtstreeks werkende bepaling waarop een Unierechtelijke uitleg van beperkingen op grond van openbare orde kan worden gebaseerd, als het gaat om Turkse zelfstandigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Gelet op de nationale regelgeving is er sprake van een gebonden bevoegdheid van de minister. Uit artikel 3.77, eerste lid, onder c, van het Vb, in samenhang gelezen met paragraaf B1/4.4 van de Vc, blijkt namelijk dat de minister de aanvraag van eiser afwijst op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Vw wegens gevaar voor de openbare orde als een vreemdeling wegens een misdrijf is veroordeeld voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Van deze bevoegdheid kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu tussen partijen niet in geschil is dat eiser voor een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om af te wijken van het beleid, is de rechtbank van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser mocht afwijzen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond en de rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.