ECLI:NL:RBDHA:2025:27207

ECLI:NL:RBDHA:2025:27207

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-12-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL24.28500
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Asiel. Leeftijdsregistratie. Beroep ongegrond. De minister mocht uitgaan van de leeftijdsregistratie in Griekenland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.28500

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Gavami),

en

(gemachtigde: mr. N. Peters).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2024 (bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd en een geboortedatum aan hem toegekend.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister heeft zich afgemeld voor de zitting. Na telefonisch contact vanuit de zittingszaal heeft eisers gemachtigde aan de rechtbank laten weten dat eiser en hijzelf niet zullen verschijnen op de zitting.

Na afloop heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

Beoordeling door de rechtbank

Eiser heeft de Syrische nationaliteit. Hij is via Griekenland de Europese Unie ingereisd. Eiser is in Griekenland geregistreerd, maar heeft daar geen asiel aangevraagd. Daarna is hij doorgereisd naar Nederland. Op 11 juli 2023 heeft hij hier asiel aangevraagd.

Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op 10 april 2006. Hij heeft Syrië verlaten omdat hij van Koerdische afkomst is en vreest dat hij om die reden zal worden vermoord. De situatie in Syrië is op het moment nog steeds niet veilig. Eiser voert aan dat hij om die reden niet kan terugkeren.

Het bestreden besluit

De minister heeft met het bestreden besluit van 18 juni 2024 de asielaanvraag van eiser ingewilligd. De minister heeft eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Wel is twijfel ontstaan over de gestelde leeftijd van eiser. Uit onderzoek in Griekenland blijkt dat eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2003. Volgens de minister zijn deze gegevens op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel leidend, zodat die geboortedatum wordt aangehouden.

Aan eiser is een verblijfsvergunning asiel toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze vergunning is verleend met ingang van 11 juli 2023 tot 11 juli 2028.

In zijn verweerschrift heeft de minister toegelicht dat de door eiser opgegeven geboortedatum niet wordt gevolgd. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn geboortedatum twee documenten overgelegd, een individueel uittreksel bevolkingsregister en een uittreksel familieregister. Deze documenten zijn op 14 februari 2025 door het Bureau Documenten onderzocht. Hieruit is gebleken dat de stukken met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. De legalisatie van het Syrische Ministerie van Buitenlandse Zaken is vals bevonden. Ook is er een leeftijdsschouw uitgevoerd waaruit blijkt dat er wordt getwijfeld over eisers leeftijd. De AVIM heeft geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De IND heeft geconcludeerd dat er verder onderzoek naar de leeftijd zal moeten plaatsvinden en dat op basis van enkel de uiterlijke kenmerken niet geconcludeerd kan worden of eiser meerderjarig of minderjarig is. De minister heeft daarom verder onderzoek gedaan en informatie opgevraagd bij de Griekse autoriteiten. In Griekenland is geregistreerd dat eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2003 en niet op [geboortedatum 2] 2006 zoals hij zelf verklaart. De minister gaat ervan uit dat de registratie in Griekenland is gebaseerd op eisers eigen verklaring. Nu eiser, aldus de minister, geen plausibele verklaring kon geven voor het feit dat de geboortedatum in Griekenland afwijkt van de datum die hij in Nederland heeft opgegeven, gaat de minister ervan uit dat eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2003.

Eiser is het niet eens met de leeftijdsregistratie. Hij betoogt dat de minister zijn verklaringen over zijn geboortedatum ten onrechte terzijde heeft geschoven en dat hij aan zijn verplichting om documenten over te leggen heeft voldaan. Eiser is van mening dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan om te kunnen concluderen dat de leeftijd die in Griekenland is geregistreerd als de juiste leeftijd kan worden aangehouden. Het had op de weg van de ministergelegen om nader onderzoek te verrichten op welke gronden eisers leeftijd in Griekenland is geregistreerd.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit van 18 juni 2024 heeft toegelicht dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel de gegevens die eiser in Griekenland heeft opgegeven leidend zijn. Dit uitgangspunt is inmiddels onjuist. De hoogste bestuursrechter in het vreemdelingenrecht (de Afdeling) heeft in haar uitspraken van 9 oktober 2024 uiteengezet hoe moet worden omgegaan met een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Zij heeft geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op een dergelijke registratie. De minister heeft in haar verweerschrift ook verwezen naar deze uitspraken.

Dit betekent dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek in het besluit. Om die reden is het beroep gegrond. De vraag is welke gevolgen aan deze conclusie moeten worden verbonden. De rechtbank is van oordeel dat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven in de zin van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Zoals overwogen heeft de Afdeling uiteengezet hoe moet worden omgegaan met een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is op een dergelijke registratie. Dit betekent niet dat de minister geen gewicht mag toekennen aan de registratie. De leeftijd van een vreemdeling zal moeten worden beoordeeld met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Dat betekent dat het in beginsel aan de vreemdeling is om zijn geboortedatum aannemelijk te maken. De minister moet, aldus de Afdeling, desondanks uitgaan van het vermoeden dat een vreemdeling minderjarig is, als een vreemdeling dat stelt en daarover twijfel bestaat. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. Daarbij zal de minister steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Hij zal daarbij steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen. Als aan de leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat die in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn andere verklaringen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft onderzocht en deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom hij uitgaat van de registratie in Griekenland.

Zoals de minister in het verweerschrift terecht uiteen heeft gezet, blijkt uit de gehoren dat eiser bewust in Griekenland een andere leeftijd heeft opgegeven op advies van de reisagent zodat hij door kon reizen. Eiser heeft dus niet waarheidsgetrouw verklaard. Ook heeft eiser gedetailleerd verklaard over zijn levensloop, maar heeft hij daar geen leeftijd aan gekoppeld. Daar komt bij dat eiser heeft verklaard te hebben gereisd met andere documenten (een paspoort) dat niet van hem was, welke hij heeft weggegooid. De minister heeft dan ook terecht opgemerkt dat dit handelen niet erop duidt dat eiser het belang heeft

ingezien van het kunnen staven van zijn verklaringen en van zijn relaas. Daarnaast heeft eiser twee documenten overgelegd, namelijk een individueel uittreksel bevolkingsregister en een uittreksel familieregister. Die zijn door Bureau Documenten onderzocht. Beide stukken zijn met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Ook is de legalisatie van het Syrische ministerie van Buitenlandse Zaken vals; het wijkt af van het beschikbaar referentiemateriaal. Omdat de documenten niet als echt kunnen worden beschouwd, uit de schouw twijfel is ontstaan over eisers leeftijd, hij in Griekenland geregistreerd is als meerderjarig en eiser hier geen afdoende verklaring voor heeft gegeven is de minister conform Werkinstructie 2025/1 terecht uitgegaan van de meerderjarige leeftijd. Dit betekent dat de minister terecht aansluiting heeft gezocht bij de opgegeven datum in Griekenland en voldoende heeft gemotiveerd waarom niet wordt uitgegaan van de opgegeven geboortedatum in Nederland. De minister heeft het vermoeden dat eiser minderjarig is ontzenuwd en gaat terecht uit van de geboortedatum van [geboortedatum 1] 2003.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond omdat het een zorgvuldigheidsgebrek bevat. Het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover het ziet op de leeftijdsregistratie. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. Dit betekent dat de leeftijdsregistratie van eiser in stand blijft.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- voor het indienen van een beroepschrift.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van

mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. V.F.J. Bernt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?