ECLI:NL:RBDHA:2025:27210

ECLI:NL:RBDHA:2025:27210

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-10-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL25.49281
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring eerste beroep, gebreken ophouding: tijdstip overname en grondslag, belangenafweging in nadeel eiser, geldig terugkeerbesluit: land van terugkeer kenbaar uit motivering, beroep ongegrond, wel pkv.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49281

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J. Hemelaar),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1970.

Overbrenging en ophouding

2. Eiser stelt dat hij niet rechtmatig in de macht van de minister was toen de maatregel van bewaring werd opgelegd. Eiser voert daartoe ten eerste aan dat de strafrechtelijke detentie is geëindigd op 8 oktober 2025 om 8.00 uur. In het proces-verbaal van ophouding staat dat eiser om 10.10 uur is overgenomen en opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke detentie. Dat het aansluitend was, klopt volgens eiser dus niet. Bovendien heeft de gemachtigde van PI [locatie] vernomen dat eiser op 8 oktober 2025, om 9.56 uur is opgehaald door de Dienst Uitvoering en Ondersteuning (DV&O). Het tijdstip van 10.10 uur in het proces-verbaal van ophouding is dus ook onjuist. Volgens eiser kon er om 10.10 uur ook geen sprake zijn van een ophouding, omdat hij op dat moment in het busje van DV&O zat, en niemand hem toen heeft medegedeeld dat hij werd opgehouden. Verder voert eiser aan dat hij niet op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw kon worden opgehouden. Eiser had immers rechtmatig verblijf, vanwege de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 september 20251. Ook de opmerkingen in het proces-verbaal van ophouding onder punt 7 “verblijfsrechtelijke positie” kloppen niet. Volgens eiser kon de ophouding ook niet worden gebaseerd op artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Die grondslag veronderstelt immers dat er een besluit over een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, 59a of 59b van de Vw wordt voorbereid. Dat is niet het geval, want er is beslist op de asielaanvraag en het bezwaar van eiser, en daarna is eiser op 8 oktober 2025 om 16.09 uur in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser merkt ook op dat die beschikking alleen is toegezonden aan zijn gemachtigde via Zivver, en dus niet is uitgereikt. Samenvattend stelt eiser dat sprake is van een flagrante schending van artikel 5 van het EVRM, en dat daarom de daaropvolgende bewaring onrechtmatig is.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Het dossier biedt geen aanknopingspunten dat de strafrechtelijke detentie van eiser op 8 oktober 2025 om 08.00 uur geëindigd. Evenmin is de rechtbank bekend met de ervaring of het gegeven dat een strafrechtelijke detentie op de laatste dag daarvan eindigt om 08.00 uur. De rechtbank volgt eiser dus niet dat hij niet aansluitend aan de strafrechtelijke detentie is overgenomen en opgehouden. De rechtbank volgt wel dat de gemachtigde van eiser van PI [locatie] heeft vernomen dat eiser om 9.56 uur is opgehaald door DV&O. De gemachtigde heeft dit bericht op de zitting voorgelezen. De rechtbank gaat er dus vanuit dat eiser is overgenomen vanuit strafrechtelijke detentie om 9.56 uur. Het tijdstip van 10.10 uur in het proces-verbaal van ophouding is dan ook onjuist. Er is dus sprake van een gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank ik echter sprake van een gering gebrek, gelet op het kleine tijdsverschil, waardoor eiser niet in zijn belangen is geschaad. Uit artikel 50a en 50, tweede en derde lid, van de Vw, blijkt dat de ophouding aanvangt op het moment dat de vreemdeling is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Eiser is om 11.55 uur aangekomen op de plaats bestemd voor verhoor in [plaats] . Anders dan eiser stelt, was om 9.56 uur dus nog geen sprake van ophouding, en hoefden er op dat moment geen mededelingen aan hem te worden gedaan. De termijn van 6 uren voor de ophouding is dus ook niet overschreden, en ook de overbrenging heeft binnen een redelijke termijn plaatsgevonden.

4. De rechtbank volgt eiser verder in zijn betoog dat de ophouding ten onrechte op artikel 50, derde lid, van de Vw is gebaseerd. Op 24 september 2025 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de uitzetting van eiser achterwege moet blijven totdat op het bezwaar tegen het besluit van 22 september 2025 is beslist. Eiser had hierdoor rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Met het besluit van 8 oktober 2025 is op dit bezwaar en op de opvolgende asielaanvraag van eiser beslist. De minister heeft op de zitting toegelicht dat hij van de beslisser heeft vernomen dat hij om 12.15 uur de beschikking heeft gemaild en dat de beschikking voor die tijd bekend was gemaakt in het advocatenportaal. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser bij aanvang van de ophouding om 10.10 uur nog rechtmatig verblijf had. De mededelingen in het proces-verbaal van ophouding over de verblijfsrechtelijke positie van eiser zijn alleen daarom al onjuist. Er is dus sprake van een gebrek, wat leidt tot een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van de minister uitvalt. Daarbij is van belang dat er een grondslag beschikbaar was om eiser op te houden, namelijk artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Dat tijdens de ophouding is gebleken dat eiser niet langer rechtmatig verblijf heeft, betekent niet dat die grondslag niet kon worden gebruikt, of dan alsnog zou moeten worden omgezet. Verder is van belang dat er een risico op onttrekking is, wat in r.o. 10, 11 en 13 nader zal worden toegelicht.

1. ECLI:NL:RBDHA:2025:17558.

Terugkeerbesluit

5. De gebreken die in r.o. 3 en 4 zijn geconstateerd leiden er dus niet toe dat de bewaring onrechtmatig is. Wel leidt dit tot een proceskostenveroordeling. Voor zover eiser stelt dat het besluit van 8 oktober 2025 op het bezwaar van 22 september 2025 niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, volgt de rechtbank dit niet. Het toezenden van het besluit aan de gemachtigde van eiser is in overeenstemming met paragraaf C1/2.13.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dat betekent dat eiser bij het opleggen van de maatregel van bewaring geen rechtmatig verblijf meer had.

6. Eiser voert aan dat er bij het opleggen van de maatregel van bewaring geen sprake was van een geldig terugkeerbesluit. Er is niet gebleken dat het aanvullend terugkeerbesluit van 8 oktober 2025 (waarin voor het eerst Somalië als land van terugkeer is genoemd) vóór het opleggen van de maatregel bekend is gemaakt.

7. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 2 juni 2021 2 uitleg gegeven over de vraag of de minister in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet vermelden. In die uitspraak heeft de Afdeling onder meer overwogen dat uit punt 115 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 14 mei 2020 in de zaak FMS e.a. en de weergave daarvan door het HvJEU in zijn arrest van 24 februari 2021, M e.a., punt 39, volgt dat in elk terugkeerbesluit moet worden vermeld naar welk van de in artikel 3, aanhef en derde lid, van de Terugkeerrichtlijn bedoelde derde landen de onderdaan van een derde land tot wie dat besluit is gericht, moet worden verwijderd. Aan deze eis is ook voldaan als het land van terugkeer ondubbelzinnig uit de motivering van het besluit kan worden afgeleid.

8. In het aanvullend terugkeerbesluit van 8 oktober 2025 wordt verwezen naar het besluit van 29 juni 2015. In het meeromvattende besluit van 29 juni 2015 heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast. De rechtbank stelt vast dat in dit besluit niet uitdrukkelijk een land van terugkeer is vermeld. Wel volgt uit dit besluit dat wordt uitgegaan van de Somalische nationaliteit van eiser. Verder is in dit besluit, waarbij ook eisers asielaanvraag is ingetrokken, uitgebreid gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op een behandeling zoals verboden in artikel 3 van het EVRM. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat uit de motivering van het besluit van 29 juni 2015 duidelijk blijkt dat de minister van eiser verwacht dat hij terugkeert naar Somalië en dat de minister eiser naar Somalië zal uitzetten als hij daarheen niet uit eigen beweging terugkeert. Dit is voor eiser onmiskenbaar geweest. Tijdens de vertrekgesprekken en het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is eiser ook meegedeeld dat hij terug moet naar Somalië. Er heeft in de terugkeerprocedure dus op geen enkel moment onduidelijkheid bestaan over het land waarheen hij zou moeten terugkeren.3 Dat betekent dat ook sprake is van een geldig terugkeerbesluit, waarop de maatregel van bewaring kon worden gebaseerd. De beroepsgrond slaagt niet.

Gronden van de maatregel van bewaring

9. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

2. ECLI:NL:RVS:2021:1155.

3 ECLI:NL:RVS:2025:1410.

De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;

3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

De minister heeft de lichte gronden onder 4d en 4e op de zitting laten vallen.

10. De rechtbank oordeelt dat de zware grond onder 3a feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. Eiser heeft verklaard dat hij zonder geldige documenten naar Nederland is gekomen. Dat dit 35 jaar geleden is, betekent niet dat dit niet aan hem mag worden tegengeworpen. Ook de zware grond onder 3c is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Zoals in r.o. 8 is toegelicht, bleek uit de motivering van het besluit van 29 juni 2015 ondubbelzinnig dat eiser moest terugkeren naar Somalië. Hij heeft daar geen gevolg aan gegeven.

11. De zware gronden onder 3a en 3c zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daaruit volgt ook het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

12. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hij is namelijk bereid om zich regelmatig te melden en is trouw in de contacten met zijn advocaten en de reclassering.

13. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden en de motivering daarvan volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Bovendien heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaring verklaard dat hij niet uit Nederland wil vertrekken, omdat hij niets meer heeft met de Somalische cultuur en taal. Een lichter middel biedt daarom, ook met de stelling van eiser dat hij zich wil houden aan een meldplicht, onvoldoende garantie dat eiser zelfstandig zal terugkeren. Dat eiser trouw zou zijn in de contacten met zijn advocaten en de reclassering, betekent niet dat hij dit ook zal zijn in de contacten met de autoriteiten in het kader van zijn vertrek. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting en voortvarendheid

14. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

15. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Er is al een laissez-passer afgegeven voor eiser op 19 augustus 2025. Op 10 oktober 2025 is een vlucht aangevraagd en op 13 oktober 2025 is er een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Daaruit blijkt dat er zicht op uitzetting is en dat de minister voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

16. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

17. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

18. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten, gelet op het geconstateerde gebrek in het voortraject. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

27 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Skerka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?