ECLI:NL:RBDHA:2025:27212

ECLI:NL:RBDHA:2025:27212

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL25.55269
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Grensdetentie, onderbreking grensdetentie wegens uitzitten strafrechtelijke detentie. De rechtbank is van oordeel dat de strafrechtelijke detentie niet moet worden meegenomen bij de beoordeling van de naleving van de dertien weken termijn op grond van de jurisprudentie van de Afdeling. Echter staat het de minister vrij om een gunstigere regeling te treffen dan het Unierecht voorschrijft, de rechtbank ziet geen aanleiding om strenger te toetsen dan de minister. Beroep gegrond, schadevergoeding en proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55269

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De minister heeft op 11 november 2025 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank ziet aanleiding zich eerst te buigen over de vraag of er sprake is van de naleving van de dertien weken termijn, zoals bedoeld in de uitspraak1 van 1 juli 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Daarin is geoordeeld dat grensdetentie in ieder geval niet zo kort als mogelijk duurt indien er tussen het moment van het opleggen van de grensdetentie en de beslissing van de asielrechter op het beroep tegen de afwijzende asielbeschikking een periode van meer dan dertien weken zit.

In onderhavige zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel van 20 oktober 2025. Op 1 augustus 2025 is de

grensdetentie aangevangen. Van 12 september 2025 tot en met 20 september 2025 en van 10 oktober 2025 tot en met 20 oktober 2025 is de grensdetentie onderbroken vanwege het uitzitten van strafrechtelijke detentie, zo leidt de rechtbank af uit de twee registratiekaarten DJI die in het dossier zitten. Na het uitzitten van de voornoemde strafrechtelijke detentie is er tot twee keer toe (weer) een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De grensdetentie is uiteindelijk op 11 november 2025 opgeheven nadat het asielberoep van eiser op 11 november 2025 gerond was verklaard.

In artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn2 is bepaald dat de grensdetentie zo kort mogelijk moet duren en slechts zolang de in artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn genoemde redenen van toepassing zijn. In het geval dat de strafrechtelijke detentie van eiser wordt meegenomen in de gestelde termijn van dertien weken van de Afdeling, heeft eiser ruim vijftien weken in grensdetentie gezeten en zou daarmee de grensdetentie te lang hebben voortgeduurd.

De minister stelt zich op het standpunt dat op 31 oktober 2025, 13 weken na de eerste maatregel op 1 augustus 2025, de maximale termijn van de grensdetentie is overschreden en is bereid om schadevergoeding aan te bieden voor elf dagen onrechtmatige grensdetentie. Daarmee wordt de strafrechtelijke detentie door de minister meegeteld in de gestelde termijn van de Afdeling. De minister heeft toegelicht dat hij kijkt naar de detentie gedurende de grensprocedure, ongeacht of deze strafrechtelijk of vreemdelingenrechtelijk is.

De rechtbank stelt vast dat de minister heeft aangeboden schade te vergoeden voor de periode van 1 november 2025 tot en met 11 november 2025, wat neerkomt op 11 dagen x

€100,- per dag = €1.100,- euro.

De rechtbank is van oordeel dat de strafrechtelijke detentie niet moet worden meegenomen bij de beoordeling van de naleving van de dertien weken termijn op grond van de jurisprudentie van de Afdeling. Deze jurisprudentie ziet immers op de naleving van artikel 9 van de Opvangrichtlijn dat betrekking heeft op bewaring in de zin van artikel 8 van de Opvangrichtlijn. Dat betekent dat de dertien weken termijn in het geval van eiser niet is overschreden.

1. ECLI:NL:RVS:2025:2925.

2 Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.

Omdat het de minister vrij staat om een gunstigere regeling te treffen dan het Unierecht voorschrijft, ziet de rechtbank geen aanleiding om strenger te toetsen dan de minister. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en een schadevergoeding toewijzen ter hoogte van het bedrag dat de minister heeft aangeboden te betalen.

Conclusie

4. Het beroep is gegrond. Gelet daarop behoeft de overige beroepsgrond van eiser niet te worden besproken.

5. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €1.100,-.

6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

17 december 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?