ECLI:NL:RBDHA:2025:27213

ECLI:NL:RBDHA:2025:27213

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-10-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL25.49353
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring eerste beroep, leeftijd (63) niet apart meewegen bij lichter middel, zicht op uitzetting Marokko, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Hartog).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.49353

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Zicht op uitzetting en voortvarendheid
Ambtshalve toetsing

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1962.

Gronden van de maatregel van bewaring

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden onder 3b, 3c en 3i feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de motivering van deze gronden niet is toegespitst op hem persoonlijk. In de maatregel is opgemerkt dat eiser al bijna 5,5 jaar illegaal in Nederland is en geen melding heeft gedaan van zijn illegale verblijf. Daarmee heeft hij zich onttrokken aan het toezicht. Verder heeft eiser een terugkeerbesluit gekregen, waaruit volgt dat hij uiterlijk 17 juni 2020 had moeten vertrekken. Daar heeft hij geen gevolg aan gegeven. Ook heeft eiser herhaaldelijk aangegeven dat hij niet uit eigen beweging zal vertrekken.

4. De zware gronden onder 3b, 3c en 3i zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daaruit volgt ook het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

5. Eiser voert aan dat de minister niet heeft onderzocht of een lichter middel, zoals een meldplicht, effectief zou kunnen zijn. Eiser wijst erop dat bewaring het allerlaatste redmiddel moet zijn. Ook wijst hij erop dat hij 63 jaar is, geen netwerk heeft in Nederland en Marokko, en dagelijks medicatie gebruikt. Volgens eiser is dit niet meegewogen, wat in strijd is met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser wijst ook op artikel 5 van het EVRM.

6. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft onderzocht of kon worden volstaan met een lichter middel. In het gehoor voorafgaand aan de bewaring zijn in dit kader vragen gesteld aan eiser. Vervolgens is in de maatregel van bewaring gemotiveerd ingegaan op de belangen die eiser heeft aangevoerd, onder andere dat hij in Marokko niemand kent, bang is dat hij in Marokko zal gaan zwerven en dat hij medicijnen gebruikt. Daarbij is terecht gewezen op de medische zorg in het detentiecentrum en is terecht opgemerkt dat wat eiser aanvoert geen reden is om niet naar Marokko terug te keren of een zwervend bestaan in Nederland voort te zetten. Dat eiser 63 jaar oud is, hoefde de minister niet apart mee te wegen. Verder is terecht gewezen op de gronden van de maatregel en de motivering daarvan. Daaruit volgt immers dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Nu eiser heeft verklaard dat hij niet naar Marokko wil terugkeren, biedt een meldplicht onvoldoende garantie dat hij zelfstandig zal vertrekken. Er is geen sprake van strijd met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel en met artikel 5 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Volgens eiser is er geen zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Het is algemeen bekend dat de Marokkaanse autoriteiten selectief zijn bij het

afgeven van laissez-passers (lp’s). De gemachtigde van eiser ziet in haar praktijk ook dat bij het merendeel van haar Marokkaanse cliënten de bewaring na zes maanden wordt opgeheven, omdat er geen zicht op uitzetting is. In het geval van eiser zijn er nog geen concrete stappen gezet richting verwijdering. De minister stelt wel dat er een lp-aanvraag is ingediend, maar eiser betwist dat omdat hiervan geen stukken zijn overgelegd. Er heeft ook nog geen presentatie plaatsgevonden. Volgens eiser betekent dit ook dat de minister niet voortvarend heeft gehandeld.

8. De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraken van 14 november 20221 en 8 augustus 20232 geoordeeld dat er in het algemeen zicht op uitzetting is naar Marokko. De minister heeft op de zitting gewezen op informatie van de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) van 22 juli 2025. Volgens DIA zijn er in de periode vanaf 2025 137 lp-aanvragen ingediend. Sindsdien hebben er 100 nationaliteitsbevestigingen plaatsgevonden, zijn er 93 lp’s verstrekt en hebben er 54 uitzettingen met een lp plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze cijfers te twijfelen. De rechtbank leidt hieruit af dat er in het algemeen nog steeds zicht op uitzetting is naar Marokko. Verder ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat er voor eiser persoonlijk geen zicht op uitzetting is. Op 14 oktober 2025 is de lp-opdracht ingediend bij DIA. De minister heeft op de zitting verklaard dat deze aanvraag op 20 oktober 2025 is verzonden naar de Marokkaanse vertegenwoordiging in [plaats] . De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet in de verklaring van de gemachtigde van eiser over haar cliënten geen concreet aanknopingspunt dat er voor eiser geen lp verstrekt zal worden. Verder heeft er op 14 oktober 2025 een vertrekgesprek plaatsgevonden. De minister heeft hiermee ook voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

1. ECLI:NL:RVS:2022:3269.

2 ECLI:NL:RVS:2023:3033.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Skerka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?