RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Hartog).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.49953
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toetsing
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
Gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3b en 3c niet heeft betwist. De rechtbank oordeelt dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn ook al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd dat er voor hem zicht is op uitzetting naar Algerije. In de maatregel is namelijk niet opgenomen dat er op 6 juni 2025 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) is ingediend en dat daarop is gerappelleerd op 24 juli, 15 augustus, 4 september en 25 september 2025. Verder voert eiser aan dat uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 15 oktober 20251 blijkt dat er een nieuwe consul is aangetreden, die heeft aangegeven dat ongedocumenteerde vreemdelingen niet meer worden gepresenteerd. Volgens eiser is daarom voor hem – als ongedocumenteerde vreemdeling – geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser stelt ook dat hij zich wel heeft ingespannen om aan documenten te komen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat een standaardmotivering geaccepteerd wordt als genoegzame motivering van het zicht op uitzetting.2 De Afdeling heeft in de uitspraak van 6 mei 2024 geoordeeld dat er voor Algerije in het algemeen weer kan worden aangenomen dat er zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn.3 De rechtbank ziet in de omstandigheid dat er geen presentaties van ongedocumenteerden plaatsvinden, vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat er (in het algemeen of voor ongedocumenteerden) geen zicht op uitzetting is. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 15 oktober 2025, r.o. 5, blijkt dat de minister heeft toegelicht dat de nieuwe werkwijze niet betekent dat er geen lp’s meer zullen worden afgegeven. De lp-aanvragen voor ongedocumenteerde vreemdelingen worden door de Algerijnse autoriteiten nog steeds in onderzoek genomen, maar de afgifte van lp’s zal voortaan alleen nog plaatsvinden op basis van onderzoek in het Algerijnse registratiesysteem, waarin personalia en vingerafdrukken zijn opgenomen van Algerijnen vanaf 16 jaar. Verder worden er in r.o. 6 cijfers genoemd, waaruit blijkt dat er in de periode
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:18945.
2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3487.
3 ECLI:NL:RVS:2024:1892.
tot en met eind september 2025 lp’s zijn afgegeven, ook voor ongedocumenteerde vreemdelingen. Ook hebben er gedwongen uitzettingen plaatsgevonden. De rechtbank ziet ook ten aanzien van eiser persoonlijk geen aanleiding om aan te nemen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Ten aanzien van eisers inspanningen heeft de minister verder kunnen wijzen op het vertrekgesprek van 7 oktober 2025 waaruit volgt dat eiser pas bereid is om mee te werken aan terugkeer als er een lp wordt verstrekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarendheid
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Na de inbewaringstelling is niet meer gerappelleerd op de lp-aanvraag. Er heeft wel een vertrekgesprek plaatsgevonden, maar volgens eiser is dat geen uitzettingshandeling. Verder had de minister zich moeten inspannen om de identiteitskaart van eiser, die door de Spaanse autoriteiten is ingenomen, te verkrijgen. Dit mede gelet op de nieuwe werkwijze waarbij ongedocumenteerden niet meer gepresenteerd worden.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Er is op 7 oktober 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Dit vertrekgesprek is wel degelijk een uitzettingshandeling.4 De minister heeft ter zitting verder toegelicht dat op 16 oktober 2025 nog is gerappelleerd. De rechtbank ziet geen reden tot twijfel hieraan. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat het aan de regievoerder is om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn.5 Het is dus aan de regievoerder om te bepalen of het voor de uitzetting van eiser nodig is om bij de Spaanse autoriteiten te informeren naar de identiteitskaart. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
4 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270 en 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.
5 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 18 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5649 en 20 mei
2016, ECLI:NL:RVS:2016:1448.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.