ECLI:NL:RBDHA:2025:27220

ECLI:NL:RBDHA:2025:27220

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-10-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL25.49593
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring eerste beroep, voldaan aan inspanningsverplichting, staandehouding niet verkapt vreemdelingenrechtelijk, 3a, 3c, 3i, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F. Jansen),

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Hartog).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49593

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F.J. Hoppenbrouwer als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ambtshalve toetsing

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.

Inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie

2. Eiser voert aan dat de minister niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie. Eiser wijst erop dat hij tijdens de strafrechtelijke detentie een geboorteakte heeft laten opsturen, en heeft verklaard dat hij wil meewerken aan uitzetting naar Algerije. De minister had daarom in die periode meer moeten doen om zijn terugkeer te regelen.

3. De minister stelt primair dat de verplichting om voortvarend te handelen er pas was vanaf de inbewaringstelling, omdat eiser na de strafrechtelijke detentie is vrijgelaten. Subsidiair stelt de minister dat sprake is van een aparte situatie, omdat eiser lange tijd heeft vastgezeten, maar dat ook tijdens de strafrechtelijke detentie regelmatig is gerappelleerd op de aanvraag voor een laissez-passer (lp) bij de Algerijnse autoriteiten en er ook vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. De minister wijst er daarbij ook op dat de einddatum van de strafrechtelijke detentie pas op 4 juni 2025 bekend is geworden.

4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD4988, volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om zoveel mogelijk te voorkomen dat een vreemdeling direct na afloop van zijn strafrechtelijke detentie in bewaring wordt gesteld. Deze inspanningsverplichting is er als de einddatum van de strafrechtelijke detentie bekend is.

Eiser heeft in strafrechtelijke detentie gezeten van 9 oktober 2022 tot en met 7 oktober 2025. Op 8 oktober 2025 is eiser aangehouden door de politie, en uiteindelijk door de minister in bewaring gesteld. De rechtbank kan de minister volgen dat, ook als wordt uitgegaan van een inspanningsverplichting, voldoende uitzettingshandelingen zijn verricht. De lp-aanvraag is ingediend bij de Algerijnse autoriteiten op 24 november 2022. De minister heeft op de zitting toegelicht dat daar vervolgens ongeveer elke 3 weken op is gerappelleerd. De rechtbank ziet geen reden tot twijfel hieraan. Ook blijkt uit het dossier dat er vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden, onder andere op 8 januari 2025. De beroepsgrond slaagt niet.

Staandehouding en gebruik handboeien

5. Eiser voert aan dat uit het proces-verbaal van aanhouding niet duidelijk blijkt waarom om zijn identiteitsbewijs is gevraagd. Volgens eiser lijkt het een verkapt vreemdelingenrechtelijke staandehouding te zijn geweest. In dat geval was er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Ook is niet duidelijk waarom handboeien zijn gebruikt. Dit moet in ieder geval meegenomen worden bij de belangenafweging.

6. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat eiser op 8 oktober 2025 om 10.13 uur is aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Eiser had niet voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 8 oktober 2025 blijkt dat de verbalisanten afkwamen op een melding van een medewerker van Veiligheid en Service dat er op Station Utrecht Centraal sprake was van een persoon die zich niet kon identificeren. De verbalisanten hebben eiser aangetroffen in de EHBO-ruimte op het station, en hebben hem in het Engels gevraagd of hij een identiteitsbewijs bij zich had. Eiser heeft toen verklaard “I dont’t have an ID with me”. In het formulier externe bijzonderheden zaak staat: “LIVE JOURNAAL BIJZONDERHEDEN 08-10-2025: Naar aanleiding van zwart rijden werd betrokkene aangehouden voor artikel 447e WID, en is ook 197 SR.” Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat eiser om zijn identiteitsbewijs is gevraagd vanwege zwartrijden. De aanhouding had dus een strafrechtelijke aanleiding. Ook de handboeien zijn gebruikt tijdens het strafrechtelijke traject. Omdat de rechtbank als bewaringsrechter alleen oordeelt over bevoegdheden die bij of krachtens de Vw zijn toegekend, is zij niet bevoegd om over de rechtmatigheid van de aanhouding en het gebruik van handboeien een oordeel te geven. Van een doorwerking van eventuele onrechtmatigheden in dat strafrechtelijk traject naar het vreemdelingrechtelijke voortraject kan dan geen sprake zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190. De beroepsgrond slaagt niet.

Gronden van de maatregel van bewaring

7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

8. De rechtbank oordeelt dat de zware grond onder 3a feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. Eiser heeft verklaard dat hij Nederland illegaal is ingereisd. Dat eiser enkele dagen later asiel heeft aangevraagd, betekent niet dat dit niet aan hem mag worden tegengeworpen. Ook de zware grond onder 3b is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser is op 12 juni 2022 Nederland ingereisd, en heeft zich pas op 17 juni 2022 gemeld voor asiel. De minister mocht dus aan eiser tegenwerpen dat hij geen (tijdige) melding heeft gedaan van zijn illegale verblijf, en dat hij zich hiermee enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Ook de zware grond onder 3i is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring verklaard dat hij niet mee zal werken en dat hij naar Spanje wil om daar een verblijfsvergunning aan te vragen.

9. De zware gronden onder 3a, 3c en 3i zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daaruit volgt ook het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De geschilpunten over de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

10. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring, bijvoorbeeld een meldplicht. Eiser voert daartoe aan dat hij tijdens de strafrechtelijke procedure heeft aangegeven dat hij wil meewerken aan uitzetting naar Algerije en toen ook zijn geboorteakte heeft laten opsturen, die ook is voorgelegd aan de Algerijnse autoriteiten.

11. De rechtbank oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel van bewaring en de motivering daarvan volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daar komt bij dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft verklaard dat hij niet wil meewerken aan terugkeer naar Algerije, en naar Spanje wil vertrekken. Dat eiser zich tijdens de strafrechtelijke detentie wel meewerkend zou hebben opgesteld, is daarom onvoldoende om aan te nemen dat hij zelfstandig naar Algerije zou vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarendheid en zicht op uitzetting

12. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting en dat er ook geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn. De lp-aanvraag is namelijk al ingediend op 24 november 2022 en sindsdien zit er eigenlijk geen schot meer in de zaak. Dit terwijl eiser wel een geboorteakte heeft overgelegd.

13. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting. Op 13 oktober 2025 is een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Ook heeft de minister op de zitting verklaard dat er op 15 oktober 2025 individueel (mondeling) is gerappelleerd op de lopende lp-aanvraag, om extra aandacht te vragen voor eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen. De Algerijnse autoriteiten hebben niet aangegeven dat zij voor eiser geen lp zullen verstrekken. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om aan te nemen dat er in het geval van eiser geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn. De beroepsgrond slaagt niet.

14. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

24 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A. Skerka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?