ECLI:NL:RBDHA:2025:27221

ECLI:NL:RBDHA:2025:27221

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 03-02-2026
Zaaknummer NL24.7758
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag om een verlening van een mvv op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eisers in bezwaar. Door alleen referent te horen, is niet voldaan aan artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat het beroep gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Er is namelijk niet gebleken van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen (de echtgenote van) referent en eisers. Ook hetgeen in beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 hoefde verweerder ten aanzien van hen daarom geen belangenafweging te maken. Ten aanzien van de belangenafweging tussen eisers en de kinderen van referent is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze niet ten onrechte in het nadeel van eisers en de kinderen van referent heeft laten uitvallen.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1950, van Afghaanse nationaliteit, eiser

en

[eiseres]

geboren op [geboortedatum 2] 1969, van Afghaanse nationaliteit, eiseres

hierna samen: eisers

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een mvv met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (hierna: referent)”.

Met het besluit van 21 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Met het besluit van 30 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.

Hiertegen heeft referent namens eisers beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag om een verlening van een mvv op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is, het bestreden besluit dient te worden vernietigd, maar dat rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Griffierecht

4. Eisers hebben gevraagd om een vrijstelling van het griffierecht. Dit verzoek is in eerste instantie afgewezen, omdat het formulier (niet) op tijd was ingediend. Op de zitting is dit verzoek om vrijstelling alsnog toegewezen. Omdat eisers het griffierecht al hadden betaald, zal dit aan hen worden geretourneerd.

De aanvraag

5. Aan de aanvraag om verlening van een mvv is het volgende ten grondslag gelegd. Eisers hebben de Afghaanse nationaliteit en zijn de ouders van referent. Referent werkte in Afghanistan voor de IRC en implementeerde Nederlandse projecten aldaar. Hij kon vanwege de dreigende situatie voor hem in oktober 2021 met zijn gezin met behulp van een evacuatiepas verstrekt door Nederlandse autoriteiten Afghanistan verlaten en naar Nederland reizen. Tot aan zijn evacuatie verbleef referent bij vrienden in een grensplaats van Afghanistan. Ook eisers woonden daarbij hem in. Toen referent op 28 september 2021 Afghanistan verliet, heeft hij eisers voor het laatst gezien.

Referent heeft vervolgens asiel aangevraagd en op 19 november 2021 een asielvergunning voor bepaalde tijd gekregen. Sinds zijn vertrek uit Afghanistan worden eisers bedreigd door de IS, als ook door de Taliban, vanwege het feit dat referent het land uit is gevlucht. Zij willen eisers nu doden. Daarom kunnen eisers niet terugkeren naar het ouderlijk huis waar in het verleden de familie heeft samengewoond. Vanwege de telefonische bedreigingen vluchten eisers steeds van adres naar adres. Referent maakt zich ernstig zorgen om eisers en wil graag dat zij naar Nederland kunnen komen. Daarom heeft referent namens eisers op 18 februari 2022 een mvv aangevraagd met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij referent”.

Besluitvorming

6. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Volgens verweerder heeft referent de familierechtelijke relatie met eisers onvoldoende aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt. Een integrale beoordeling zou leiden tot de conclusie dat het voordeel van de twijfel gegund zou moeten worden. Dit zou inhouden dat er nader onderzoek zou moeten plaatsvinden om de familierechtelijke relatie te kunnen onderzoeken. Verweerder komt daar echter niet aan toe, omdat volgens hem niet is voldaan aan de overige voorwaarden voor toelating.

Volgens verweerder is namelijk geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen (de echtgenote van) referent en eisers. Referent voldoet allereerst niet aan de voorwaarden voor het jongvolwassenbeleid. Daarnaast is geen sprake van meer dan een gebruikelijke afhankelijkheid tussen (de echtgenote van) referent en eisers.

Ten aanzien van eisers en de kinderen van referent is wel sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat er tussen eisers en (in ieder geval) de oudste dochter van referent hechte persoonlijke bandenbestaan.

Tot slot heeft verweerder een belangenafweging gemaakt en geconcludeerd dat het belang van de Nederlandse Staat zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eisers en (de kinderen en echtgenote van) referent. Daarom valt de belangenafweging in hun nadeel uit en heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Hoorplicht

7. Eisers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat ze ten onrechte niet zijn gehoord.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eisers in bezwaar. In artikel 7:2 van de Awb staat dat, voordat een bestuursorgaan op een bezwaar beslist, zij belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord. Aangezien de aanvraag ten behoeve van eisers is ingediend, kan vastgesteld worden dat eisers belanghebbenden zijn bij het besluit op de aanvraag. In artikel 7:3 van de Awb staan gevallen opgesomd wanneer van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien. De rechtbank stelt vast dat die gevallen in de situatie van eisers niet van toepassing zijn. Dit betekent dat artikel 7:2 van de Awb onverminderd geldt. De duidelijke bewoordingen van dit voorschrift bepalen dat in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid gesteld moet worden om in persoon te worden gehoord.

In dit geval heeft verweerder niet aan dit voorschrift voldaan. Het bezwaarschrift is namelijk door de gemachtigde namens eisers ingediend, waarbij expliciet is verzocht om belanghebbenden te horen. Dat referent de aanvraag ten behoeve van eisers heeft ingediend en geacht kan worden op de hoogte te zijn van de situatie van eisers, maakt dit niet anders. Door alleen referent te horen, is niet voldaan aan artikel 7:2 van de Awb. Dat betekent dat het beroep gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt.

De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Er is namelijk niet gebleken van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen (de echtgenote van) referent en eisers. Ook hetgeen in beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 hoefde verweerder ten aanzien van hen daarom geen belangenafweging te maken. Ten aanzien van de belangenafweging tussen eisers en de kinderen van referent is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze niet ten onrechte in het nadeel van eisers en de kinderen van referent heeft laten uitvallen. De rechtbank legt dit hierna uit.

Familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM

8. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen (de echtgenote van) referent en eisers. Bij de beoordeling of sprake is van een meer dan gebruikelijk afhankelijkheidsrelatie tussen (de echtgenote van) referent en eisers heeft verweerder ten onrechte geen brede beoordeling gemaakt, maar de beoordeling van de individuele feiten te veel gericht op de (extreme) afhankelijkheid van eisers jegens referent. Ook zijn de verschillende elementen niet in samenhang bekeken. Hiermee voldoet de beoordeling niet aan de nieuwe lijn van de Afdeling. Het gaat er namelijk om dat de bijkomende elementen van afhankelijkheid meer zijn dan de gebruikelijke affectie. Voor eisers gaat het erom dat ze enkel in leven weten te blijven door de constante inspanning van referent. Hierdoor heeft referent psychische klachten. Hij kan niet slapen en kan zich niet richten op zijn leven hier en het opbouwen daarvan, omdat zijn eisers constant in gevaar zijn, hij voor hen meerdere keren per week onderdak moet regelen, en alles voor ze moet regelen. Waar het gezin tot de vlucht van referent samenwoonden met elkaar en gezinsleven genoot, is dat op deze manier niet en nooit meer mogelijk.

De rechtbank stelt voorop dat zij het standpunt van verweerder of er sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven – ook als het gaat om familie- of gezinsleven tussen volwassenen – vol toetst.

Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat pas kan worden gesproken van beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen meerderjarige familieleden als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid (‘further elements of dependancy, involving more than the normal emotional ties’) De vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, is een vraag van feitelijke aard en de beantwoording daarvan is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Het geheel van feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt namelijk niet tot de conclusie dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen (de echtgenote van) referent en eisers.

Het enkele feit dat eisers tot het vertrek van referent uit Afghanistan hebben samengewoond met (de echtgenote van) referent en zijn oudste dochter, is daartoe onvoldoende. Ook heeft verweerder ten aanzien van financiële steun door referent niet ten onrechte betrokken dat referent heeft verklaard dat eisers nu leven van hun spaargeld en financiële steun ook op afstand zou kunnen worden geboden. De stelling dat eiseres leidt aan een hoge bloeddruk en suikerziekte vanwege stress en eiser maagklachten en een lage bloeddruk heeft, heeft verweerder niet tot een andere conclusie hoeven brengen, omdat niet is gebleken dat deze medische klachten zodanig zijn dat zij hulpbehoevend zijn. Eisers ondervinden wat betreft de feitelijke dagelijkse handelingen, immers geen problemen in het dagelijks leven. Ten aanzien van de emotionele afhankelijkheid betwist verweerder niet dat sprake is van een zeer hechte familieband tussen de betrokkenen, waarbij het begrijpelijk is dat het gemis enorm is, dat referent zich zorgen maakt en dat hij eisers het liefst bij hem in de buurt zou willen hebben. Dit betekent echter niet dat sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele afhankelijkheid. Hierbij heeft verweerder mogen stellen dat de psychische klachten van eisers niet zijn onderbouwd met bewijsstukken, eisers eerder, weliswaar in het geheim, een dokter hebben bezocht en niet is gebleken dat zij niet op eenzelfde wijze (enige mate van) hulp kunnen krijgen voor hun psychische problemen. Ten aanzien van de psychische klachten van referent heeft verweerder kunnen stellen dat gebleken is dat referent hier in Nederland hulp voor krijgt en dat niet is gebleken dat er tussen (de echtgenote van) referent en eisers een zodanige afhankelijkheid bestaat dat referent zich niet staande kan houden zonder betrokkenen in zijn nabijheid. Van een omgekeerde situatie is evenmin gebleken. Meer specifiek ten aanzien van de verblijfplaats van eisers in Afghanistan, heeft verweerder kunnen stellen dat hoewel het aannemelijk is dat eisers voor het hebben van een zo veilig mogelijke verblijfplaats onder andere van referent afhankelijk is, niet is gebleken dat referent dit in de toekomst niet langer zou kunnen faciliteren op de wijze waarop hij dit nu reeds geruime tijd doet, namelijk vanuit Nederland met behulp van een Afghaans college aldaar.

Belangenafweging

9. Tot slot stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eisers heeft laten uitvallen. Daarbij is volgens eisers het zware gewicht dat aan het economische belang is gehecht niet deugdelijk gemotiveerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan het Nederlands economisch belang, dat (onder andere) inhoudt dat moet worden voorkomen dat vreemdelingen een (langdurig) beroep doen op de algemene middelen. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte in het nadeel van eisers meewogen dat referent sinds maart 2022 een bijstandsuitkering ontvangt. Het is zeer aannemelijk dat de toelating van eisers voor een groot deel, al dan niet volledig, ten laste komt van de Nederlandse samenleving en dat het voor referent en zijn echtgenote niet mogelijk zal zijn volledig in het levensonderhoud van eisers te voorzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat de rechtbank het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.A.R. Bleijendaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?