RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. L. Hartog).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.49463
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 16 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, vanwege een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden van de maatregel van bewaring niet heeft betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden en de motivering daarvan de maatregel konden dragen.
Lichter middel en zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat de minister de maatregel van bewaring had moeten opheffen, omdat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en heeft verklaard dat hij zo snel mogelijk naar Algerije wil vertrekken. Het is onzeker wanneer terugkeer mogelijk zal zijn.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. In deze uitspraak ligt de maatregel op grond van artikel 59b van de Vw ter beoordeling voor. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat er gedurende de asielprocedure niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Uit de gronden van de bewaring volgt dat er een risico was dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Ook is terecht opgemerkt dat eiser heeft verklaard dat hij in Nederland asiel wilde aanvragen, maar dat dit niet blijkt uit het feit dat hij direct na aankomst is aangehouden omdat hij een diefstal had gepleegd. Eiser heeft zijn asielaanvraag op 16 oktober 2025 ingetrokken en op diezelfde dag is de huidige maatregel opgeheven. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat voor een bewaring krachtens 59b, eerste lid, van de
Vw zicht op uitzetting geen voorwaarde is.1 Het betoog van eiser dat onzeker is wanneer hij uitgezet kan worden, behoeft daarom ook geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak 27 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1813.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.