RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1992, van Egyptische nationaliteit,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: AWB 25/3143 (beroep)
AWB 25/3144 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrecht van 8 oktober 2025 in de zaken tussen
eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaarschrift door verweerder. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaarschrift. Eiser heeft connex aan zijn beroep de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dit verzoek.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 7 november 2019 heeft verweerder aan eiser een verblijfsdocument verstrekt waaruit zijn rechtmatig verblijf blijkt als gemeenschapsonderdaan op basis van zijn gezinsleven met een burger van de Unie.
3. Op 9 april 2024 heeft verweerder per brief aan eiser laten weten dat hij het voornemen heeft eisers verblijfsdocument in te trekken per 3 maart 2022. Met het besluit van 7 mei 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eisers verblijfsrecht op 3 maart 2022 van rechtswege is geëindigd en dat eiser het grondgebied van de Europese Unie, aangevuld met Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein binnen vier weken moet verlaten.
4. Eiser heeft op 18 oktober 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 mei 2024. Met het besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen vier weken nadat het primaire besluit aan eiser is verzonden.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft gevraagd om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Lazar als tolk in de taal Arabisch en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft [persoon] geboren op [geboortedatum 2] 1996, als getuige meegenomen naar de zitting. De rechtbank heeft de getuige tijdens de zitting gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiser voert aan dat verweerder zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het klopt dat hij de bezwaartermijn heeft overschreden, maar deze termijnoverschrijding kan niet aan hem worden toegerekend. De reden voor de termijnoverschrijding is namelijk dat het besluit eiser niet tijdig heeft bereikt, vanwege problemen met de postbezorging op het adres waar eiser toen woonde. Pas toen eiser van zijn zorgverzekeraar bericht kreeg dat hij niet langer stond ingeschreven begreep hij dat er iets met zijn verblijfsstatus aan de hand was. Hij heeft toen per e-mail contact opgenomen met verweerder en bezwaar gemaakt.
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser zijn toenmalige huisgenoot als getuige meegenomen naar de zitting. Op de zitting heeft de toenmalige huisgenoot van eiser verklaard dat er inderdaad problemen waren met de postbezorging bij haar huis, ook in de periode dat eiser bij haar woonde. Zij merkte dat brieven en pakketjes voor haar niet werden bezorgd. Hierdoor miste ook zij brieven, waaronder een brief van de gemeente dat zij was uitgeschreven van haar eigen adres. Zij heeft hierover een aantal keer gebeld met PostNL en officiële instanties gevraagd om haar post voortaan per e-mail aan haar toe te sturen. De voormalig huisgenoot vermoedt dat deze problemen voortkwamen uit de omstandigheid dat het huis op een helling, aan het eind van een rijtje huizen en enigszins achteraf lag.
De gemachtigde van eiser heeft op de zitting daarnaast aangevoerd dat het maar de vraag is wanneer eiser het primaire besluit heeft ontvangen. Eiser heeft op 19 september 2024 alleen een e-mail van verweerder ontvangen waaruit bleek dat er een beslissing was genomen over zijn verblijfsrecht in Nederland. Het primaire besluit zat echter niet als bijlage bij de e-mail.
6. De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat bij de e-mail van 19 september 2024 het primaire besluit als bijlage zat gevoegd. In het bezwaarschrift staat ook vermeld dat eiser het primaire besluit op die datum per e-mail heeft ontvangen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat eiser in ieder geval per e-mail van 19 september 2024 kennis heeft genomen van de inhoud van het primaire besluit.
De rechtbank overweegt verder dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) – een van de hoogste bestuursrechters van Nederland – in haar uitspraak van 30 januari 2024 als volgt heeft overwogen (onderstreping door de rechtbank):
“2.3. De – enige – vraag die door het bestuursorgaan en door de bestuursrechter in geval van een termijnoverschrijding moet worden beantwoord, is of ‘redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest’. (…). Kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend, dan moet worden beoordeeld of het bezwaar- of beroepschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Is dat het geval, dan is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Is dat niet het geval, dan is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Bij de vraag of een termijnoverschrijding verschoonbaar is, hoeft niet altijd eerst te worden nagegaan of deze aan de indiener kan worden toegerekend. Denkbaar is immers dat direct al duidelijk is dat het bezwaar- of beroepschrift hoe dan ook niet is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. In een dergelijke situatie behoeft de toerekenbaarheid geen afzonderlijke bespreking.”
In diezelfde uitspraak heeft het CBb een nieuwe invulling gegeven aan het begrip ‘zo spoedig als redelijkerwijs kan worden verlangd’ (onderstreping door de rechtbank):
“4.2. In gevallen waarin een belanghebbende (de geadresseerde van het besluit of een derde) pas kennis neemt van een op correcte wijze bekendgemaakt besluit als de bezwaar- of beroepstermijn al geheel of grotendeels is verstreken en de belanghebbende ook niet eerder kennis kón nemen van het besluit, is tot nu toe de lijn gevolgd dat die belanghebbende met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is als hij dat doet binnen twee weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan ook een later gemaakt bezwaar of ingesteld beroep als niet verwijtbaar te laat worden aangemerkt. Het College ziet, in navolging van het voorstel van de raadsheer advocaat-generaal, aanleiding om voor deze gevallen voortaan een termijn van zes weken te hanteren waarbinnen de belanghebbende met het maken van bezwaar of het instellen van beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat is. De belangrijkste overweging daarvoor is dat de lijn die tot nu toe in de rechtspraak wordt gevolgd, bij belanghebbenden veelal niet bekend is en ook niet wordt vermeld onder het besluit. Het heeft daarom de voorkeur om aan te sluiten bij de wettelijke bezwaar- en beroepstermijn. (…). Het College merkt nog op dat de termijn van zes weken alleen van toepassing is bij besluiten waarvoor de wettelijke bezwaar- of beroepstermijn zes weken bedraagt. Bij besluiten met een andere (kortere of langere) wettelijke termijn, geldt dat een belanghebbende als hier bedoeld in ieder geval niet verwijtbaar te laat is als hij bezwaar maakt of beroep instelt binnen die andere termijn.”
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – de hoogste bestuursrechter die gaat over zaken zoals die van eiser – heeft in haar uitspraak van 3 april 2024 aansluiting gezocht bij de uitspraak van het CBb (onderstreping door de rechtbank):
“De Afdeling ziet met het oog op de rechtseenheid aanleiding deze lijn uit de uitspraak van 30 januari 2024 te volgen. (…). In een geval zoals hier aan de orde betekent dit dat binnen zes weken nadat de belanghebbende op de hoogte is of had kunnen zijn van het besluit, bezwaar of beroep moet worden ingesteld. De termijn van zes weken geldt hier omdat de oorspronkelijke, wettelijke, termijn voor het maken van bezwaar in deze zaak ook zes weken is. Daarbij merkt de Afdeling nog op - zoals het CBb heeft overwogen - dat als de wettelijke bezwaar- of beroepstermijn langer of korter is dan zes weken, die termijn wordt gehanteerd.
De rechtbank overweegt in het geval van eiser als volgt. Zoals hierboven onder 6 al is overwogen gaat de rechtbank ervan uit dat eiser in ieder geval op 19 september 2024 bekend is geworden met het primaire besluit waarmee zijn verblijfsvergunning is ingetrokken. De wettelijke bezwaartermijn voor het indienen van bezwaar tegen het primaire besluit is vier weken. Dat betekent dat eiser niet verwijtbaar te laat zou zijn als hij bezwaar zou hebben gemaakt binnen diezelfde termijn van vier weken na 19 september 2024, oftewel vóór 17 oktober 2024. Eiser heeft echter zijn bezwaar bij brief van 18 oktober 2024 per post verstuurd en verweerder heeft deze op 21 oktober 2024 ontvangen. Eiser heeft dus op 21 oktober 2024 zijn bezwaarschrift ingediend, vier weken en vier dagen nadat hij bekend was geworden met het primaire besluit. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser zijn bezwaarschrift niet zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. De vraag of eiser of de termijnoverschrijding door eiser verschoonbaar is kan daarom in het midden blijven.
De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaarschrift in stand blijft.
8. Nu met deze uitpsraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak AWB 25/3143:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak AWB 25/3144:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.