RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: M. Volker).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.56052
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toets
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999.
Handtekening proces-verbaal van gehoor
2. Eiser voert aan dat het proces-verbaal van gehoor (formulier M-110) is ondertekend nadat de maatregel van bewaring is ondertekend. Uit het dossier volgt namelijk dat de maatregel van bewaring op 13 november 2025 om 13:59 digitaal is ondertekend, terwijl het gehoor diezelfde dag pas om 14:50 digitaal is ondertekend. Hij stelt dat hiermee niet kan worden vastgesteld dat het gehoor heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister heeft toegelicht dat eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling is gehoord, maar dat het proces-verbaal pas later is ondertekend.
3. De rechtbank oordeelt dat het feit het proces-verbaal van gehoor pas is ondertekend nadat eiser in bewaring is gesteld, op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat eiser pas na de inbewaringstelling is gehoord. Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt
immers dat eiser op 13 november 2025 om 13:25 is gehoord. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser is gehoord voorafgaand aan de inbewaringstelling. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing van de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek evenmin op andere gronden onrechtmatig is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.