RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: M. Volker).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55973
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.D. Sikorska. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982.
Redelijk vermoeden van onrechtmatig verblijf
2. Eiser voert aan dat uit het dossier niet blijkt wat de aanleiding was van het redelijke vermoeden van onrechtmatige verblijf, en dat eiser hierdoor onrechtmatig is staandegehouden. Door dit gebrek is de maatregel van bewaring onrechtmatig.
3. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft onderbouwd op grond van welke feiten en omstandigheden er een redelijk vermoeden van onrechtmatig verblijf was. Uit het dossier volgt immers dat er meerdere meldingen bij de politie zijn gedaan over een adres waar overlast werd veroorzaakt door personen die bekend zijn bij de Afdeling Vreemdelingen, Identificatie en Mensenhandel (AVIM). De rechtbank oordeelt dat er op grond van deze meldingen voldoende reden was om het adres te bezoeken. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verder toegelicht dat de verbalisanten met toestemming van
een van de bewoners de woning hebben betreden, waarna ze eiser aantroffen. Toen ze eiser vroegen om zijn identiteitsdocument, antwoordde hij dat hij geen identiteitsdocument had. Toen eiser zijn naam opgaf, bleek uit de politiesystemen dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Uit het voorgaande blijkt dat de ambtenaren voldoende aanleiding hadden om naar de woning te gaan, dat zij met toestemming van een van de bewoners de woning betraden, en dat er, toen eiser aangaf geen identiteitsdocument te hebben en vervolgens uit het systeem bleek dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland had, voldoende aanleiding was om eiser vreemdelingrechtelijk staande te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek evenmin op andere gronden onrechtmatig is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.