RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Dogan),
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S.H.F. Pols).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.50659
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. el Allachi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toets
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is ambtshalve toetsend van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan een lichter middel. Hij wil graag herenigd worden met zijn familie in Frankrijk.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking aan het toezicht. Van belang is daarbij dat eiser zich al eens aan het toezicht heeft onttrokken. Ook heeft de minister terecht overwogen dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring heeft aangegeven niet zelfstandig terug te willen keren naar Algerije. Volgens het verslag van het met eiser op 8 oktober 2025 gehouden vertrekgesprek heeft eiser deze weigering ook geuit in een gesprek dat hij op 11 september 2025 heeft gehad met de consul van Algerije. Verder komt uit het dossier naar voren dat de Franse autoriteiten aan eiser in mei 2024 een terugkeerbesluit hebben opgelegd. Daaruit volgt dat eiser in Frankrijk geen verblijfsrecht heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek evenmin op andere gronden onrechtmatig is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.