RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42859
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A. Dijcks).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en A. Sharo als tolk.
Beoordeling door de rechtbank
Slaagt een beroep op het arrest C.K.?
Artikel 17 van de Dublinverordening
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard. De minister heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor het in behandeling nemen van de aanvraag. Dit besluit ligt voor.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Beoordeling van de rechtbank
Heeft eiser in Kroatië een rechtsgeldige asielaanvraag ingediend?
5. Eiser voert aan dat hij in Kroatië geen rechtsgeldige asielaanvraag heeft ingediend, omdat hij daar nooit asiel heeft willen aanvragen. Een aanvraag die tegen de wens van de aanvrager wordt gedaan, door onder dwang vingerafdrukken af te nemen en hem tegen zijn wil in zo te registreren, is niet rechtsgeldig. Op grond van nationaal-, Unie of internationaal recht bestaat geen plicht voor asielzoekers om asiel aan te vragen in het eerste (EU)land van doorreis. Eiser vindt steun voor zijn standpunt in de in artikel 2, onder h, van de Kwalificatierichtlijn neergelegde definitie van het begrip ‘verzoek’. Eiser verwijst verder naar het AIDA-rapport, 2024 Update Croatia, van augustus 2025 om zijn stelling dat de vingerafdrukken zonder zijn toestemming zijn afgenomen, te onderbouwen.
6. Niet is betwist dat uit het Eurodac-systeem blijkt dat eiser in Kroatië is geregistreerd met een referentienummer aan de hand waarvan op grond van artikel 24, vierde lid, in samenhang met artikel 9, eerste lid, van Verordening nr. 603/2013 (Eurodacverordening), kan worden vastgesteld dat eiser een asielverzoek heeft ingediend. De minister mag uitgaan van de juistheid van deze registratie ook indien eiser nu achteraf aangeeft dat hij geen aanvraag had willen indienen en dat dit ook zou blijken uit de omstandigheid dat hij is doorgereisd.
7. De rechtbank wil aannemen dat eiser niet de wens had om in Kroatië een asielaanvraag in te dienen maar dat hij dit in Nederland had willen doen. Er bestaat ook geen wettelijke verplichting dat een asielzoeker in het eerste veilig EU-land een asielaanvraag indient, maar dit betekent niet dat Nederland de asielaanvraag in behandeling dient te nemen en dat eiser niet op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening kan worden overgedragen. Eiser heeft in Kroatië een asielaanvraag ingediend en ook kan met de huidige aanvraag worden vastgesteld dat hij de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wenst aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat is voldaan aan het begrip ‘verzoek’ zoals neergelegd Kwalificatierichtlijn.
8. De gestelde dwang tot het indienen van een asielaanvraag kan niet worden gebaseerd op de omstandigheid dat zonder toestemming van eiser vingerafdrukken zijn afgenomen. In de Eurodacverordening zijn bepalingen2 opgenomen die de lidstaten verplichten tot afname van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Dublinverordening. Dat van eiser zonder zijn toestemming vingerafdrukken zijn afgenomen, betekent niet dat hij zich ook gedwongen had moeten laten registreren als asielzoeker. Ook bij illegale grensoverschrijding worden vingerafdrukken afgenomen en vindt er een registratie plaats op grond waarvan Kroatië zou zijn aangewezen als verantwoordelijk lidstaat. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser voert aan dat een overdracht aan Kroatische voor hem aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang in zijn gezondheidstoestand zou inhouden, en dat dit een schending op zou leveren van artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie. Eiser zit in therapie vanwege zijn traumatische ervaringen in Kroatië. Eiser haalt op zitting een e-mailbericht van een counselor aan die hem ondersteunt met zijn psychische problemen. Hij verwijst verder naar pagina 56 van het AIDA-rapport update 2024, waaruit blijkt dat onvrijwillige transfers een ernstige impact kunnen hebben op de mentale gezondheid van verzoekers. De minister had nader onderzoek moeten doen naar de mentale gezondheid van eiser. Ten onrechte heeft dit onderzoek niet plaatsgevonden.
2 Artikel 9, eerste lid, en 14, eerste lid, van de Eurodacverordening.
10. Uit het arrest C.K. van het Hof van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Eiser heeft geen objectieve gegevens overgelegd die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand aantoont. Op zitting heeft eiser weliswaar naar voren gebracht dat hij voor zijn psychische klachten in contact staat met een counselor die hem op afstand begeleidt, maar hiervan zijn geen stukken overgelegd waarmee kan worden vastgesteld dat er aan de overdracht gezondheidsrisico’s als hier bedoeld, zijn verbonden. De minister heeft in het aangehaalde deel van het AIDA-rapport ook geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te doen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de hierin geschetste situatie ook op hem van toepassing is. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
12. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister niet snel gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens het beleid in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is dat in ieder geval bijzondere individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Volgens vaste rechtspraak3 is het aan de minister om dit te beoordelen en dient de rechter deze beoordeling terughoudend te toetsen.
13. Eiser betoogt dat de minister gelet op zijn eerdere ervaringen in Bulgarije aanleiding had moeten zien om zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen en dat de minister wat betreft de motivering niet kon volstaan met de verwijzing naar de in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gegeven motivering. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:RBDHA:2025:9339.
14. De minister mocht voor de beoordeling van de vraag of sprake is van onevenredige hardheid verwijzen naar de beoordeling die al is gemaakt bij de vraag of Kroatië in het licht van zijn verklaringen, zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zeker nu eiser aanvoert dat de door hem gemelde mishandeling een duidelijke aanwijzing is dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De mishandeling en bedreiging zijn beoordeeld in het kader van de vraag of nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en behoeft daarom geen verdere bespreking meer. Dit kan anders zijn indien eiser aannemelijk maakt dat deze persoonlijke ervaringen dusdanige gevolgen voor hem hebben gehad dat terugkeer onevenredig hard is. De rechtbank stelt vast dat de minister deze gevolgen in de beoordeling heeft betrokken en heeft geconcludeerd dat eiser niet heeft onderbouwd dat er is gebleken van psychische klachten die het gevolg zijn van zijn persoonlijke ervaringen die zodanig zijn dat de aanvraag vanwege onevenredige hardheid in behandeling dient te worden genomen. De minister is gemotiveerd ingegaan op de persoonlijke problemen van eiser en heeft ook kenbaar alle aangevoerde omstandigheden benoemd en meegewogen.
3 ECLI:NL:RVS:2025:2108.
15. Met betrekking tot de mishandeling heeft de minister van belang mogen vinden dat deze niet is onderbouwd met (medische) documenten en dat eiser onder andere omstandigheden terugkeert naar Kroatië. De stelling van eiser dat de gestelde mishandeling een duidelijke aanwijzing vormt voor een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer, kan de rechtbank gelet op het van toepassing zijnde interstatelijk vertrouwensbeginsel niet volgen.
16. Dat één van zijn medereizigers is omgekomen tijdens zijn reis door Bosnië en Kroatië is - invoelbaar heftig – maar de minister mocht zich op het standpunt stellen dat dit de verantwoordelijkheid van Kroatië niet wegneemt. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich wendt tot de Kroatische autoriteiten voor hulp en ondersteuning. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Kroatische autoriteiten deze hulp en ondersteuning niet zouden geven. De verklaringen van eiser bieden hiervoor onvoldoende aanknopingspunten.
17. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit berust op een voldoende draagkrachtige motivering. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser aan Kroatië mag worden overgedragen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 oktober 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.