RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58718
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 4 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Poyraz, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Azerbeidzjaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Onzorgvuldig gehoor
3. Eiser voert aan dat hij op onjuiste grondslag in bewaring is gesteld, omdat hij rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft namelijk op 24 november 2025 een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.1 Eiser heeft ter onderbouwing een aantal stukken overgelegd, waaronder de aanvraag, loonstroken, identiteitsbewijzen en foto’s met zijn partner. Eiser stelt dat hij vanaf het moment van indiening van de aanvraag procedureel rechtmatig verblijf heeft. De minister heeft daarom de maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw onrechtmatig opgelegd.
4. De minister voert aan dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en dat eiser op juiste grondslag in bewaring is gesteld. De minister heeft ter zitting betwist dat eiser de aanvraag voor de afgifte van het verblijfsdocument EU/EER heeft ingediend. De minister heeft geen stukken ontvangen en eiser heeft geen ontvangstbevestiging overgelegd. Ook heeft eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel en in zijn vertrekgesprek geen opmerking gemaakt over deze aanvraag.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister tijdens het gehoor onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsrechtelijke status van eiser. De rechtbank overweegt dat verblijfsrecht op grond van het Unierecht een declaratoir recht is. Dit houdt in dit verblijfsrecht ontstaat zodra een vreemdeling aan de eisen van dit verblijfsrecht voldoet. Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is het in de eerste plaats aan de vreemdeling om tijdens een gehoor concrete aanknopingspunten aan te dragen die erop duiden dat hij een van het Unierecht afgeleid verblijfsrecht heeft. Indien de verklaringen van de vreemdeling hiervoor voldoende concrete aanknopingspunten bieden, is de minister gehouden het mogelijke bestaan van een afgeleid verblijfsrecht nader te onderzoeken.2 Zo nodig moet naar aanleiding van de gegeven verklaringen worden doorgevraagd. Tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft eiser aangegeven dat hij een vriendin heeft, dat hij bij haar verblijft, dat zijn advocaat papieren heeft en dat zij een aanvraag voor de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in orde aan het maken zijn. Naar oordeel van de rechtbank had de minister op basis van deze verklaringen door moeten vragen naar de verblijfsrechtelijke status van eiser, bijvoorbeeld door eiser in de gelegenheid te stellen om documenten te overleggen ter staving van dit verblijfsrecht. Dat de minister dit niet heeft gedaan, betekent dat de minister onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de verblijfsrechtelijke status van eiser. Hierdoor was het onduidelijk of eiser wel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw in bewaring kon worden gesteld. De beroepsgrond slaagt.
6. Het beroep is reeds hierom gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Wat overigens is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.
Conclusie
7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 9 x
€ 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 800,-.
1. Zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2 ECLI:NL:RVS:2021:1346.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.