RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: S. Faddach).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58717
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
Procesverloop
Bij besluit van 27 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R. Poyraz, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Lichter middel
Ambtshalve toets
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Ter zitting heeft de minister zware grond 3d laten vallen.
4. Eiser heeft lichte grond 4c betwist.
5. De rechtbank stelt vast dat zware gronden 3a, 3b en 3c en lichte gronden 4a, 4d en 4e niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan een lichter middel. Eiser heeft aangegeven dat hij mee zou willen werken aan zijn terugkeer en had in de mogelijkheid gesteld moeten worden om zelfstandig te vertrekken. Daarnaast had hij aangegeven op welk adres hij verbleef en heeft hij een vrouw in Nederland.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er niet kon worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, volgt een risico op onttrekking. Daarnaast heeft de minister in de maatregel overwogen dat aan eiser op 17 oktober 2025 een terugkeerbesluit is opgelegd met een onmiddellijke vertrektermijn en dat hij sindsdien geen actie heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te regelen. In de maatregel is overwogen dat – anders dan eiser stelt – uit eisers gedragingen niet blijkt dat hij zelfstandig zal vertrekken. Gelet op de gegeven motivering heeft de minister in de omstandigheid dat eiser – zonder nadere onderbouwing – stelt dat hij een vrouw heeft in Nederland bij wie hij verblijft, geen aanleiding hoeven zien om met een lichter middel te volstaan. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing van de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek evenmin op andere gronden onrechtmatig is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
12 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.