RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: M. Volker).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.56181
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Barzizaoua. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Voortvarend handelen
Ambtshalve toets
Conclusie
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
Grondslag van de bewaring
2. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte op de grondslag voor Dublinclaimanten (artikel 59a, eerste lid, van de Vw) in bewaring heeft gesteld. Hij heeft namelijk op 30 oktober 2025 een herhaalde asielaanvraag ingediend. Volgens eiser had de minister hem daarom op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring moeten stellen.
3. De rechtbank oordeelt dat eiser terecht op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring is gesteld. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2162, volgt dat artikel 59a, eerste lid, van de Vw prevaleert wanneer een vreemdeling op meerdere grondslagen in bewaring kan worden gesteld. De minister heeft terecht vastgesteld dat er op 16 november 2025 concrete aanknopingspunten waren dat de Dublinverordening op eiser van toepassing is. De Duitse autoriteiten hebben immers op 18 augustus 2025 het claimakkoord geaccepteerd, nadat uit
het Eurodac is gebleken dat eiser een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser heeft zware grond 3k en lichte grond 4c betwist.
6. De rechtbank stelt vast dat de zware gronden 3a en 3b en de lichte gronden 4a en 4d niet zijn betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig ook voldoende gemotiveerd. Deze gronden kunnen de maatregel dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Hetgeen eiser ten aanzien van zware grond 3k en lichte grond 4c heeft aangevoerd behoeft daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is op 16 november 2025 in bewaring gesteld en op 25 november 2025 is een vlucht naar Duitsland gepland. Deze vlucht is uitgesteld tot 4 december 2025. De minister heeft op zitting toegelicht dat de afstemming met de Duitse autoriteiten meer tijd vergde, waardoor de vlucht moest worden uitgesteld. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, omdat hij langer dan twee weken in bewaring zit zonder dat hij wordt overgedragen.
8. De rechtbank oordeelt dat het feit dat de vlucht van eiser is uitgesteld tot 4 december 2025 op zichzelf niet de conclusie rechtvaardigt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank kan de minister volgen in de toelichting dat bij de feitelijke overdracht van eiser de nodige afstemming moet plaatsvinden met de Duitse autoriteiten, en dat dit enige tijd kost. Verder stelt de rechtbank vast dat de termijn van twee weken waar eiser zich op beroept niet is gebaseerd op de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing de rechtbank tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek evenmin op andere gronden onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 november 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.