[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mevr. A. de Graaf).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 16 juli 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T.M. Butt als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Indiase nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Eiser heeft problemen met zijn stiefbroer vanwege een dispuut over land. Zijn stiefbroer wil het land van eiser toe-eigenen. Eiser is uit het dorp gevlucht maar daarna is hij toch meerdere malen gevonden en aangevallen. Eiser vreest bij terugkeer naar India voor zijn stiefbroer.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt, maar dit is niet het geval. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende documenten overgelegd en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook vormen de verklaringen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel en kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Dat eiser uit India komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar India een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser verklaringen heeft afgelegd die worden beoordeeld als kennelijk inconsequent, tegenstrijdig en vals.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser voert aan dat hij zijn asielrelaas wel aannemelijk heeft gemaakt. De verklaringen van eiser zijn coherent en gedetailleerd voor zover redelijkerwijs van hem kan worden verlangd en eiser heeft uitleg gegeven over de tegenstrijdigheden die zijn ontstaan. De procedure had daarom in de verlengde asielprocedure beoordeeld moeten worden. Ook is de procedure niet in lijn met de Europese richtlijnen en in strijd met het nationaal recht. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser. Eiser heeft ter zitting hiervoor verwezen naar het recent uitgesproken arrest Adrar van het Hof. Ten slotte verzoekt eiser de rechtbank om het inreisverbod te vernietigen, ofwel de duur van het inreisverbod te matigen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Heeft verweerder het bestreden besluit zorgvuldig genomen?
6. Voor zover eiser een beroep heeft gedaan op strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat verweerder niet in lijn met artikel 31 van de Procedurerichtlijn heeft gehandeld, volgt de rechtbank eiser niet. In deze procedure heeft verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen aan de hand van wettelijke criteria en heeft verweerder wel degelijk – en kenbaar – de aanvraag individueel en zorgvuldig beoordeeld. Op grond van het voorgaande slaagt het beroep van eiser dat het besluit in strijd is met artikel 83a van de Vreemdelingwet 2000 ook niet. Dit geldt ook voor de grond dat de aanvraag ten onrechte in de algemene asielprocedure is behandeld.
Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden?
7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het door verweerder ongeloofwaardig bevonden tweede asielmotief. De rechtbank volgt ten aanzien van de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief dus het standpunt van verweerder.
Mocht verweerder eisers asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers asielaanvraag mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Verweerder werpt eiser op goede gronden tegen dat hij kennelijk inconsequent, tegenstrijdig en vals heeft verklaard. Zo zijn de verklaringen van eiser op meerdere punten tegenstrijdig met de getuigenis van zijn echtgenote. Zijn echtgenote heeft onder meer verklaard dat de problemen tussen eiser en zijn stiefbroer zijn ontstaan door politieke problemen terwijl eiser daar niets over heeft verklaard. Ook verklaart eisers echtgenote niet over de poging van eiser om asiel aan te vragen in Zuid-Korea. Vervolgens blijkt niet duidelijk uit de verklaringen van eiser voor wie eiser vreest, is de tijdlijn onduidelijk over de periode voorafgaand aan en tijdens de reis van eiser en heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn ingediende visumverzoek. Niet wordt gevolgd dat eiser zelf niet op de hoogte was van het feit dat zijn zeemanspaspoort werd gebruikt bij zijn visumaanvraag nu eiser meerdere handtekeningen in het visumdossier heeft geplaatst. De stelling van eiser dat zijn verklaringen coherent en gedetailleerd zijn zover redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, en de stelling dat eventuele onduidelijkheden en omissies niet automatisch leiden tot de afwijzing van een aanvraag als kennelijk ongegrond maakt het voorgaande niet anders. Er is namelijk wel sprake van duidelijke tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser. Dat eiser ter zitting heeft aangevoerd dat hij de tegenstrijdigheden heeft uitgelegd veranderd dit oordeel ook niet. Verweerder is bij bestreden besluit ingegaan op eisers uitleg. In beroep heeft eiser niet aangegeven in hoeverre het besluit op dit punt ondeugdelijk is.
Mocht verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opleggen?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een terugkeerbesluit, zonder vertrektermijn, mocht opleggen aan eiser, nu verweerder eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond kon afwijzen. Uit artikel 62, tweede lid, onder b van de Vw volgt dat in dat geval verweerder een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn mag opleggen. Dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de individuele belangen van eiser volgt de rechtbank niet. Uit het besluit blijkt dat verweerder wel degelijk – en kenbaar – een individuele belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft de problemen van eiser niet geloofwaardig geacht. Het beroep van eiser op het arrest Adrar verandert het oordeel niet. Verweerder had een actuele toetsing moeten verrichten of sprake kon zijn van een situatie als omschreven in artikel 3 EVRM bij het opleggen van een terugkeerbesluit. Dit standpunt slaagt niet, nu verweerder bij de beoordeling van de asielaanvraag al het beginsel van non-refoulement heeft betrokken en verweerder dit dus niet nogmaals hoeft te doen nu het terugkeerbesluit is genomen in dezelfde procedure. Gelet daarop mocht verweerder vinden dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.
Is het inreisverbod dat verweerder heeft opgelegd disproportioneel?
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het inreisverbod mocht opleggen aan eiser. Uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet blijkt dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt indien de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Daar is hier sprake van, nu uit voorgaande rechtsoverweging volgt dat verweerder aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn mocht opleggen. Verder mocht verweerder vinden dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit is gebleken dat het inreisverbod disproportioneel is. Dat volgens eiser uit het besluit van verweerder ten onrechte niet blijkt dat hij een afweging heeft gemaakt op grond van alle persoonlijke omstandigheden, slaagt dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.