ECLI:NL:RBDHA:2025:27274

ECLI:NL:RBDHA:2025:27274

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-05-2025
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer C/09/683376 / KG ZA 25-315
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Diverse vorderingen mbt geschil over (beëindiging) lidmaatschap vereniging

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/683376 / KG ZA 25-315

Vonnis in kort geding van 23 mei 2025

in de zaak van

1. [eiser 1] te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2] te [woonplaats 2] ,

eisers,

advocaat mr. C.U. Mons te Den Haag,

tegen:

HAAGSE MOSLIM-VERENIGING “NOEROEL ISLAM” te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mr. L.A.C. van Lierop en mr. S. el Hadouchi te Den Haag.

Eisers worden hierna gezamenlijk ‘ [eisers] c.s.’ en ieder voor zich ‘ [eiser 1] ’ en ´ [eiser 2] ´ genoemd. Gedaagde wordt hierna ´de Vereniging´ genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 april 2025 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de op 9 mei 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door gedaagde pleitnotities zijn overgelegd.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

De Vereniging is in 1975 opgericht. Uit artikel 3 van de statuten van de Vereniging blijkt dat de Vereniging tot doel heeft het bevorderen van godsdienstige, culturele en sociale belangen van moslims en contacten met andere gelijksoortige nationale en internationale organen en instellingen, het bevorderen van de studie van de Islam, het prediken, verkondigen en verbreiden van de Islamitische leer, het oprichten en in standhouden van moskeeën, scholen, bibliotheken en bejaardencentra en het bevorderen van goede intergodsdienstige betrekkingen.

Artikel 13 van de statuten bepaalt:

Het lidmaatschap gaat verloren door:

1. (…)

c. opzegging namens de vereniging;

d. royering (ontzetting).

(…)

3. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging kan evenwel te allen tijde geschieden door het bestuur, met inachtneming van de opzeggingstermijn van ten minste één maand, wanneer het lid, na daartoe schriftelijk te zijn aangemaand, gedurende een tijdvak van twee achtereenvolgende maanden niet ten volle aan zijn geldelijke verplichtingen jegens de vereniging heeft voldaan.

De opzegging door het bestuur kan onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben, wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.

De opzegging geschiedt steeds schriftelijk met opgave van de reden(en).

4. Leden wier gedrag in strijd is met deze statuten en de op grond daarvan vastgestelde reglementen kunnen door het bestuur of de Algemene ledenvergadering worden geroyeerd.

5. In geval van royement door het bestuur vereist die bestuursdaad op de eerstvolgende ledenvergadering de goedkeuring van de Algemene ledenvergadering.

Blijft de goedkeuring achterwege of wordt de goedkeuring geweigerd dan wordt die bestuursdaad geacht nooit te zijn verricht.

6. Degenen ten aanzien van wie een besluit tot royement is genomen worden ten spoedigste hiervan schriftelijk en met opgaaf van reden(en) door het bestuur in kennis gesteld.

7. In geval van royement door het bestuur zijn de desbetreffende personen gerechtigd om binnen een maand nadat zij daarvan schriftelijk in kennis zijn gesteld, daartegen schriftelijk in verzet te komen bij de Algemene ledenvergadering die alsdan in hoogste instantie beslist.

8. Gedurende deze verzetsprocedure wordt de werking der royering opgeschort totdat omtrent in hoogste instantie finaal is beslist.

9. Tegen royement door de Algemene ledenvergadering is geen verzet mogelijk.

Artikel 14 bepaalt:

Het bestuur bestaat uit zeven of meer personen, met dien verstande, dat het bestuur steeds moet bestaan uit een oneven aantal personen. Het aantal bestuurders wordt vastgesteld door de Algemene ledenvergadering.

De bestuurders worden door de Algemene ledenvergadering gekozen, welke verkiezing alleen leden der vereniging kan betreffen.

(…)

4. De Algemene ledenvergadering kan een bestuurslid schorsen of ontslaan indien zij daartoe termen aanwezig acht. Voor een besluit daartoe is een meerderheid van stemmen nodig.

(…)

In het jaarboek van de Vereniging staat onder meer het volgende opgenomen:

(…)

De schriftgeleerden hebben binnen de vereniging de verantwoordelijkheid om o.a., al dan niet in afstemming met het bestuur, zorg te dragen voor de volgende zaken:

(…)

Het geven van Islamitische lessen zowel in het Nederlands, Urdu als in het Arabisch;

Het bijwonen van religieuze bijeenkomsten en het prediken van de Islam zowel binnen als buiten de vereniging;

Het begeleiden en adviseren van jeugd, volwassenen en ouderen en het begeleiden bij alle voorkomende geloofsactiviteiten in de ruimste zin van het woord.

Het geven van terugkoppeling/advies betreffende religieuze zaken en/of teksten op aanvraag van het bestuur of leden van de vereniging.

In het ‘Beleidsplan 2022 en verder; “De Toekomst van Noeroel Islam”’ staat onder meer het volgende vermeld:

(…)

Door de jaren heen zijn er heel wat leden bijgekomen. Als een islamitische vereniging staan wij achter de Aqeedah van de Ahle Sunnat wal Djama’at. Om onze identiteit te waarborgen is het noodzakelijk dat alle leden ook deze Aqeedah aanhangen. Indien, na inschrijving, blijkt dat een lid deze Aqeedah niet aanhangt is het een taak van het bestuur en de imam(s) met desbetreffend lid in gesprek te gaan zodat achterhaald kan worden welke Aqeedah het lid heeft.

(…)

Indien blijkt dat een lid niet de juiste Aqeedah aanhangt wordt de keus gegeven om taubah te doen zodat desbetreffend lid alsnog lid kan blijven. (…)

[eiser 1] is sinds februari 2011 lid van de Vereniging en sinds 2022 is hij bestuurslid (secretaris) van de Vereniging. Naast [eiser 1] zijn er nog zes bestuursleden. [eiser 2] is sinds januari 2010 lid van de Vereniging en hij doet daar, evenals [eiser 1] , ook vrijwilligerswerk.

Op 16 november 2024 heeft er in de moskee een feestelijke bijeenkomst plaatsgevonden ter voorbereiding op de Umrah-reis naar Mekka, waar [eiser 1] en [eiser 2] een organiserende rol in hebben gehad. Bij die bijeenkomst zijn door [eiser 1] en [eiser 2] boekjes met de titel “Umrah Gids voor jong en oud” (hierna: de Umrah-gids) uitgereikt aan de deelnemers van de Umrah-reis. De Umrah-gids is gemaakt door [eiser 1] en [eiser 2] en bevat naast praktische informatie over de reis (met betrekking tot onder meer visa, vaccinaties, verzekeringen en valuta) ook passages met een theologisch karakter, zoals beschrijvingen van religieuze gebruiken en plaatsen.

Exemplaren van de Umrah-gids zijn na de bijeenkomst van 16 november in de moskee blijven liggen, en zo bekend geworden bij (de overige) bestuursleden van de Vereniging.

Diverse citaten uit de Umrah-gids zijn door bestuursleden van de Vereniging voorgelegd aan mufti (islamitische schriftgeleerde) [naam 1] uit België, waarbij is gevraagd wat het oordeel is over iemand die dergelijke passages heeft geschreven en of dit valt onder kufr (ongeloof, ontkenning van Allah en zijn profeet) of dwaling. Hierop is door de mufti onder meer geantwoord dat het verboden is om zonder kennis te prediken, en dat iemand die dat wel doet niet als bron van advies mag dienen maar als ‘onwetend en misleidend’ wordt beschouwd.

Ook heeft het bestuur aan mufti [naam 2] een drietal stellingen voorgelegd en hem verzocht aan te geven wat het gevolg moet zijn als iemand deze overtuigingen heeft. Daarop is door hem onder meer geantwoord dat in de gestelde situatie, ervan uitgaande dat iemand dergelijke ketterse en misleidende overtuigingen heeft, het deze persoon niet is toegestaan om een positie te bekleden in het moskeecomité.

Op 1 december 2024 hebben [eiser 1] en [eiser 2] samen met 26 geloofsgenoten de Umrah reis aangevangen. Op 2 december 2024 hebben zij van het bestuur van de Vereniging elk een brief ontvangen waarin hen is meegedeeld dat zij op non-actief worden gesteld door het bestuur van de Vereniging. In zowel de brief aan [eiser 2] als die aan [eiser 1] staat onder meer het volgende vermeld:

“Op zondag 1 december 2024 vond er een bestuursvergadering plaats.

Naar aanleiding van recente bevindingen over verstrekte informatie met betrekking tot de door u opgestelde en uitgedeelde umrah-boek, heeft het bestuur besloten u met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen.

Deze maatregel is genomen naar aanleiding van zorgvuldig onderzoek waarbij de situatie helder in kaart is gebracht. (…)”

Op 15 december 2024 hebben [eiser 1] en [eiser 2] een gesprek gehad met het bestuur van de Vereniging. Partijen verschillen van mening over hetgeen toen is besproken. [eiser 1] en [eiser 2] menen dat hen in dat gesprek persoonlijk is verweten ‘kufr’ te hebben gepleegd. De Vereniging betwist dat maar stelt dat hen toen wel te verstaan is gegeven dat diverse passages uit de Umrah-gids als ‘kufr’ worden aangemerkt.

Op 15 december 2024 heeft [eiser 2] het bestuur van de Vereniging een brief geschreven waarin hij onder meer te kennen geeft dat hij na het gesprek met het bestuur begrijpt dat er op een theologisch punt een fout in de Umrah-gids staat, dat hij daarvoor berouw heeft getoond en dat het nooit zijn intentie is geweest om buiten de grenzen van de soennitische traditie te treden.

Op 21 december 2024 hebben [eiser 1] en [eiser 2] van het bestuur van de Vereniging (dat wil zeggen: van de overige zes bestuursleden) een brief ontvangen waarin hen beiden het lidmaatschap en de vrijwilligersfunctie is opgezegd, en voor [eiser 1] tevens de bestuursfunctie:

(…)

Aanleiding hiervoor is het door u uitgebrachte umrah boek en is reeds met u besproken d.d. 15 december 2024. Het umrah boek bevat uitspraken die buiten de Ahle Sunnah vallen, wat de reden is voor de genomen maatregelen. Gedurende het gesprek d.d. 15 december 2024 heeft u, met betrekking tot de inhoudelijke uitspraken opgenomen in het boek, uw fouten ingezien. Het bestuur heeft, na zorgvuldige afweging, besloten om de integriteit van de organisatie te waarborgen en de vereniging te beschermen. Het bestuur acht dit besluit noodzakelijk om de geloofwaardigheid van de vereniging te behouden.

Volledigheidshalve meld ik u dat het bestuur kennis heeft genomen van de impact die de timing van de non-actiefstelling d.d. 2 december 2024 heeft gehad op de umrah reis. Het was niet de intentie van het bestuur om te zorgen voor een negatieve impact, maar de ernst van de situatie vereiste een onmiddellijke reactie. Dit is reeds gisteren persoonlijk nader toegelicht.

Wij verzoeken hierbij om alle spullen, toegangscodes, sleutels en vertrouwelijke documenten van de vereniging uiterlijk maandag 23 december 2024 aan ons over te dragen. U kunt hiervoor contact opnemen met de commissaris om een afspraak te maken.

Verder vragen wij u om aan te geven op welke manier u dit proces wenst af te sluiten. U heeft de keuze:

Bestuursbesluit accepteren: Hierbij behouden wij tezamen discretie en zal deze kwestie intern worden afgerond.

Bestuursbesluit negeren: In dat geval zal de reden van uw opzegging worden gecommuniceerd aan de leden van de vereniging en mogelijkerwijs daarbuiten. Dit achten wij zeer onwenselijk voor beide partijen en hopen dat u kiest voor de eerste optie.

Wij verzoeken u om uiterlijk maandag 23 december 2024 schriftelijk te laten weten welke keuze u maakt.

Wij vragen uw begrip voor dit besluit en benadrukken dat de deuren van de vereniging voor u als individu niet gesloten zijn. U blijft welkom om deel te nemen aan de activiteiten van de vereniging, zij het niet als lid of bestuurder.

(…)

[eiser 2] en [eiser 1] hebben bij brieven van achtereenvolgens 25 december 2024 en 27 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de besluiten die hen door het bestuur zijn meegedeeld. [eiser 2] heeft onder meer verzocht de non-actiefstelling en de beëindiging van zijn lidmaatschap terug te draaien. [eiser 1] heeft in zijn brief onder meer verzocht om een schriftelijke verklaring waarin duidelijk en onderbouwd de exacte gronden uiteen zijn gezet voor het beëindigen van zijn lidmaatschap en bestuursfunctie.

Op 7 januari 2025 heeft het bestuur van de Vereniging aan leden van de Vereniging onder meer als volgt bericht:

Beste leden,

Recent is in de moskee een boekje uitgedeeld met informatie over de Umrah. Na een grondige controle door bevoegde geleerden is gebleken dat het boekje onjuiste informatie bevat. Het bestuur benadrukt dat wij niet verantwoordelijk zijn voor informatie die verstrekt wordt door personen die geen officiële kennis of bevoegdheid hebben om religieuze richtlijnen te delen.

Het bestuur zal, m.b.t. de personen die betrokken zijn bij de samenstelling, passende maatregelen nemen. Deels van de informatie is onjuist en zonder respect geschreven naar onze Profeet Muhammad vzm

Wij willen voorkomen dat er onjuiste of misleidende informatie verspreid wordt en zullen in de toekomst streng toezien op dergelijke publicaties.

Wij danken u voor uw begrip en verzoeken u vriendelijk om bij twijfel over religieuze informatie altijd contact op te nemen met een van de imams of een bevoegde geleerde.

Als laatst herinneren wij u dat voor religieuze zaken binnen Noeroel Islam enkel de imams verantwoordelijkheid dragen.

(…)

[eiser 1] heeft een bepaalde passage uit de Umrah-gids aan de Raad van Oelama Nederland toegestuurd met de vraag of daarin sprake is van ‘kufr’. Daarop is onder meer bericht dat daarvan geen sprake is.

Ook heeft [eiser 1] de Umrah-gids voorgelegd aan Stichting Noorani Islamic Research Institute (hierna: NIRI). De voorzitter van NIRI heeft onder meer te kennen gegeven dat hij in de Umrah-gids geen aanleiding voor kufr heeft gevonden. Wel zou vergeten zijn een bepaald detail op te nemen.

3. Het geschil

[eisers] c.s. vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad:

I. het bestuur van de Vereniging met onmiddellijke ingang te verbieden hen in welke vorm dan ook te hinderen in de aan hen toekomende rechten uit hoofde van het lidmaatschap c.q. bestuursfunctie, gelijk aan andere (bestuurs)leden;

II. het bestuur van de Vereniging met onmiddellijke ingang te gebieden aan hen – gelijk aan andere leden – onverwijld, ongehinderd en onbeperkt toegang te geven tot verenigingsactiviteiten en bijeenkomsten;

III. het bestuur van de Vereniging met onmiddellijke ingang te verbieden de beschuldigingen van ‘kufr’ en belediging van de profeet van het Islamitische geloof te uiten;

IV. rectificatie te gelasten van de door het bestuur geuite beschuldigingen – zijnde ‘kufr’ en belediging van de profeet van het Islamitische geloof – aangezien deze niet is onderbouwd en het besluit in strijd met meerdere bepalingen in de statuten en het beleidsplan is genomen, zulks op een wijze dat de reputatieschade zo veel mogelijk hersteld wordt, binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis of een door de voorzieningenrechter te bepalen redelijke termijn;

V. in het geval van niet-naleving van het voorgaande te bepalen dat een dwangsom door de Vereniging zal worden verbeurd van € 250,- per dag voor ieder van hen apart, met een maximum van € 25.000,-, of een door de voorzieningenrechter vast te stellen redelijke dwangsom, in te gaan na overschrijding van de door de voorzieningenrechter vast te stellen redelijke termijn;

VI. de Vereniging te veroordelen in de proceskosten te betalen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.

Daartoe voeren [eisers] c.s. – samengevat – het volgende aan.

De bestuursbesluiten van 21 december 2024 waarmee de lidmaatschappen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn opgezegd, betreffen in feite ontzettingen uit het lidmaatschap op grond van artikel 13 lid 4 van de statuten. Dit vereist dat de bestuursbesluiten worden voorgelegd aan de algemene ledenvergadering, maar dat is niet gebeurd. Het bestuur van de Vereniging meent ten onrechte dat artikel 13 lid 3 van de statuten een legitieme basis biedt om tot opzegging van de lidmaatschappen over te gaan. Omdat de opzegging op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden geldt dat sprake is van ongeldige bestuursbesluiten, zodat [eiser 1] en [eiser 2] nog steeds alle rechten toekomen die verbonden zijn aan hun lidmaatschap.

Voor [eiser 2] geldt verder dat hij berouw heeft getoond, maar dat dit het bestuur er niet toe heeft gebracht om het lidmaatschap hem weer te doen toekomen. [eiser 1] heeft daarbij aangevoerd dat hij wel berouw wil tonen als hij iets verkeerd heeft gedaan, maar dat hem niet duidelijk is gemaakt wat hij dan verkeerd zou hebben gedaan.

[eiser 1] en [eiser 2] worden ernstig benadeeld in hun geloofsbelijdenis. Ook familie en vrienden van hen worden aangesproken op de gebeurtenissen en zij hebben het zwaar met de royering. Kufr is daarbij de meest vergaande beschuldiging die denkbaar is. [eiser 1] en [eiser 2] worden niet meer vertrouwd door sommigen binnen de gemeenschap. Dit heeft vergaande gevolgen voor hun sociale leven. Voor [eiser 2] geldt verder dat hij onlangs zijn vader is verloren. Omdat [eiser 2] niet aanwezig mocht zijn bij religieuze bijeenkomsten in de moskee en omdat hij de uitvaartdienst niet mocht leiden, heeft de uitvaart – tegen de wens van de vader van [eiser 2] in, die zelf nog betrokken is geweest bij de oprichting van de moskee – in een andere moskee moeten plaatvinden.

De Vereniging voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Het spoedeisend belang in deze procedure is gegeven, nu [eiser 2] en [eiser 1] aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd dat het bestuur van de Vereniging op statutair onjuiste gronden tot onmiddellijke beëindiging van hun lidmaatschap van de Vereniging is overgegaan. Daarmee is voor hen actieve deelname aan diverse religieuze activiteiten van de Vereniging onmogelijk gemaakt. Voor [eiser 1] geldt daarbij dat ook het vervullen van zijn bestuursfunctie door het vervallen van zijn lidmaatschap niet meer mogelijk is.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het niet op haar weg ligt om te toetsen of er in de door [eiser 1] en [eiser 2] uitgegeven Umrah-gids passages zijn opgenomen die in strijd zijn met de islamitische leer die wordt aangehangen door (leden van) de Vereniging. In de kern ligt de vraag voor of het bestuur van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser 1] en [eiser 2] mocht overgaan op grond van artikel 13 lid 3 van de statuten, of dat, zoals [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd, deze opzeggingsgrond door het bestuur van de Vereniging oneigenlijk is gebruikt, omdat feitelijk sprake is van ontzetting uit het lidmaatschap (artikel 13 lid 4 van de statuten), zodat het bestuur gehouden was de bestuursbeslissing(en) binnen een maand na verzet daartegen aan de algemene ledenvergadering voor te leggen. In dat verband is van belang dat als een bestuursdaad tot royement door de algemene ledenvergadering niet wordt goedgekeurd, deze bestuursdaad geacht wordt nooit te zijn verricht (artikel 13 lid 5 van de statuten).

Ter zitting is namens het bestuur van de Vereniging onomwonden verklaard dat [eiser 1] en [eiser 2] niet persoonlijk worden beticht van ‘kufr’ (ongeloof) en dat bestuursleden dat ook nooit hebben gezegd, noch hebben beoogd te zeggen. De andersluidende stellingen van [eisers] c.s. zijn in het licht daarvan onvoldoende onderbouwd. Het gevorderde onder III en IV komt om die reden niet voor toewijzing in aanmerking. Voor zover er aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] al een misverstand zou zijn ontstaan over de uitlatingen van de Vereniging is een en ander voldoende recht gezet door de publiekelijk ter zitting gedane bevestiging dat van een persoonlijk verwijt van kufr (ongeloof) geen sprake is. Wel meent het bestuur van de Vereniging dat diverse passages uit de Umrah-gids niet in overeenstemming zijn met de soennitische geloofsleer van de Vereniging. Ter zitting is door het bestuur voor het eerst uitvoerig uiteengezet om welke passages uit de Umrah-gids het gaat. Deze uiteenzetting staat weergegeven onder randnummer 3.13 van de conclusie van antwoord van de Vereniging. Verder is namens de Vereniging aangevoerd dat het enkele gegeven dat [eiser 1] en [eiser 2] binnen de moskee de Umrah-gids hebben verspreid ver over de grens gaat. Dat is volgens de Vereniging slechts aan schriftgeleerden en deze fout is niet herstelbaar. Dat klemt volgens de Vereniging in dit geval te meer nu de Umrah-gids is opgesteld en in de moskee is uitgedeeld zonder enig overleg met het bestuur en daarbij ook nog donaties zijn gevraagd op rekening van een derde. Dat [eiser 2] berouw heeft getoond voor onjuistheden in de Umrah-gids, en dat hij heeft verklaard dat het nooit zijn intentie is geweest om buiten de soennitische leer te treden, doet er naar het oordeel van het bestuur van de Vereniging niet aan af dat van de Vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Voor wat betreft [eiser 1] geldt dat hij geen berouw heeft getoond, omdat het hem naar eigen zeggen niet duidelijk is gemaakt welke onjuistheden in de Umrah-gids staan. Daarbij meent [eiser 1] , naar het oordeel van het bestuur ten onrechte, dat het schrijven over religieuze zaken niet exclusief is voorbehouden aan schriftgeleerden.

Niet in geschil is dat het bestuur van de Vereniging op grond van artikel 13 lid 3 van de Statuten het lidmaatschap namens de Vereniging te allen tijde kan opzeggen wanneer het lid (kort weergegeven) na aanmaning niet aan zijn geldelijke verplichtingen jegens de Vereniging heeft voldaan. Van die situatie is in dit geschil geen sprake. Het bestuur van de Vereniging beroept zich op het tweede deel van artikel 13 lid 3 waarin is bepaald dat opzegging door het bestuur onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg kan hebben, wanneer redelijkerwijs van de Vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. De onjuistheden in de Umrah-gids en het enkele gegeven dat [eiser 1] en [eiser 2] deze Umrah-gids zonder toestemming hebben verspreid, zijn naar het oordeel van het bestuur van de Vereniging onherstelbaar en maken dat het laten voortduren van hun lidmaatschap van de Vereniging niet gevergd kan worden. Om die reden, zo meent het bestuur, behoeft het bestuur niet de weg van royement te volgen (artikel 13 lid 4), waarbij het bestuur als eerste stap een lid royeert (ontzet), en de tweede stap is dat deze bestuursdaad op de eerstvolgende algemene ledenvergadering ter goedkeuring wordt voorgelegd.

De voorzieningenrechter volgt het bestuur van de Vereniging hierin niet. Daarbij is allereerst relevant dat zowel [eiser 1] als [eiser 2] al jaren lid zijn van de Vereniging en gedwongen beëindiging van dat lidmaatschap voor hen een zware klap is, die ook gevolgen kan hebben voor hun positie binnen hun sociale en religieuze kring. Dat brengt met zich dat van de Vereniging grote zorgvuldigheid mag worden verwacht bij het nemen van een dergelijke verstrekkende maatregel. In dit geval lag het onder de gegeven omstandigheden naar voorlopig oordeel zonder meer in de rede de weg van het royement te volgen. [eiser 1] en [eiser 2] wordt immers verweten dat in de Umrah-gids passages staan die strijdig zijn met de Islamitische leer, en daarbij wordt hen verweten dat zij nooit zelfstandig tot verspreiding van de Umrah-gids hadden mogen overgaan. Daarmee wordt [eiser 1] en [eiser 2] in de kern verweten dat zij in strijd met de doelstellingen van de Vereniging, zoals vastgelegd in de statuten van de Vereniging hebben gehandeld. Gelet op de rechtsgevolgen die het bestuur daaraan wil verbinden – beëindiging van het lidmaatschap van de Vereniging – geldt dat de Vereniging gehouden was de route te volgen die specifiek daarvoor is voorgeschreven, namelijk de route van het royement. Deze voorgeschreven route vereist dat na het bestuursbesluit tot ontzetting de Vereniging zich hierover op een algemene ledenvergadering mag uitspreken. Deze weg bevat daarmee een waarborg voor een lid, om in geval van verwijten van gedragingen die naar de mening van het bestuur in strijd zijn met de statuten van de Vereniging (in dit geval het verspreiden van onjuiste geloofsinformatie) dit oordeel door de algemene ledenvergadering te laten toetsen. Die waarborg ontbreekt in de route die het bestuur van de Vereniging heeft gevolgd door simpelweg op te zeggen. Zou de zienswijze van het bestuur worden gevolgd, dan zou immers telkens als het bestuur van mening is dat een lid in strijd handelt met de statuten de algemene bepaling van de opzegging (artikel 13 lid 3) gehanteerd kunnen worden, omdat het bestuur meent dat handelen in strijd met de statuten eveneens met zich brengt dat sprake is van een situatie die maakt dat redelijkerwijs van de Vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap van een lid te laten voortduren. De waarborg die artikel 13 lid 4 biedt zou dan altijd buitenspel gezet kunnen worden. Van het bestuur van de Vereniging kan dan ook in redelijkheid worden gevergd de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser 1] en [eiser 2] niet via een opzegging maar via een royement te bewerkstelligen en dat vervolgens bij verzet ter toetsing aan de algemene ledenvergadering van de Vereniging voor te leggen. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat niet valt in te zien dat de ledenvergadering niet zou kunnen worden afgewacht. Dat klemt te meer nu het bestuur zelf kan bevorderen dat die vergadering zo snel mogelijk plaatsvindt, en in ieder geval binnen een maand na verzet.

Op grond van artikel 13 lid 6 geldt dat degene ten aanzien van wie een besluit tot royement is genomen, ten spoedigste hiervan schriftelijk en met opgaaf van reden(en) door het bestuur in kennis wordt gesteld. In de brieven van 21 december 2024 staan de specifieke verwijten voor wat betreft de inhoud van de Umrah-gids niet vermeld. Er wordt in algemene zin vermeld dat de Umrah-gids uitspraken bevat die reden geven voor beëindiging van het lidmaatschap. [eiser 1] onderschrijft de stelling van het bestuur dat de Umrah-gids fouten bevat overigens niet. Integendeel, hij heeft de Raad van Oelama Nederland en NIRI benaderd omdat hij meent dat van ‘dwaling’ geen sprake is. [eiser 2] heeft zich met zijn brief van 25 december 2024 ook verzet tegen de beëindiging van zijn lidmaatschap en hij heeft onder meer aangedrongen op wederhoor. In een eerdere e-mail van 23 december 2024 heeft [eiser 2] daarbij ook verzocht om een onderbouwing van de verwijten. Het bestuur van de Vereniging heeft ter zitting voor het eerst uitvoerig uiteen gezet welke inhoudelijke verwijten [eiser 1] en [eiser 2] worden gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze informatie ter zitting begrepen moet worden als een gemotiveerde opgave van reden(en) voor het besluit tot beëindiging van het lidmaatschap, die heeft te gelden als een royement. Omdat het bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de route van royement niet gevolgd hoefde te worden, zal de voorzieningenrechter de datum van dit vonnis aanmerken als de dag van kennisgeving van het royement in de zin van artikel 13 lid 4 van de statuten, waarbij de opgave van inhoudelijke verwijten blijkt uit hetgeen onder 3.13 van de conclusie van antwoord staat vermeld. In lijn met artikel 13 lid 7 van de statuten geldt daarbij dat [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd zijn om binnen een maand na royement (lees: vonnisdatum) schriftelijk in verzet te komen bij de Algemene ledenvergadering van de Vereniging, die in hoogste instantie beslist.

De conclusie is dat van een definitieve beëindiging van het lidmaatschap (en de daarmee verband houdende beëindiging van het bestuurderschap van [eiser 1] ) pas sprake zal kunnen zijn als de algemene ledenvergadering het royement heeft goedgekeurd.

Gelet op het voorgaande, en ervan uitgaande dat [eiser 2] en [eiser 1] zich niet bij het royement zullen neerleggen en beiden verzet zullen instellen, hebben zij belang bij een gebod voor (het bestuur van) de Vereniging om, totdat de algemene ledenvergadering zich over het royement van [eiser 1] en [eiser 2] heeft uitgesproken, de aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomende rechten uit hoofde van hun lidmaatschap te respecteren, waaronder in ieder geval wordt begrepen het actief participeren in verenigingsactiviteiten en bijeenkomsten. Dat is in lijn met artikel 13 lid 8 van de statuten waarin is opgenomen dat de werking van de royering wordt opgeschort gedurende de verzetsprocedure.

Nu het bestuur van de Vereniging zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het lidmaatmaatschap van [eiser 1] definitief is beëindigd, geldt tevens dat hij ook zijn bestuursfunctie vooralsnog niet rechtsgeldig heeft verloren. Hij is immers tot nader order nog lid van de Vereniging, waardoor hij zijn bestuursfunctie kan blijven bekleden. Weliswaar kan een bestuurslid ook op grond van artikel 14 van de statuten door de Algemene ledenvergadering worden geschorst of ontslagen indien zij daartoe termen aanwezig acht, maar die situatie heeft zich hier niet voorgedaan. Indien het bestuur, of bestuursleden, schorsing of ontslag van [eiser 1] als bestuurder wensen, dan kan een voorstel hierover zo nodig aan de Algemene ledenvergadering worden voorgelegd. In ieder geval heeft tot die tijd te gelden dat [eiser 1] zo lang hij niet definitief geroyeerd is, hij niet gehinderd mag worden in de uitvoering van zijn bestuurstaken. De voorzieningenrechter zal de Vereniging een gebod opleggen om de hem toekomende rechten uit hoofde van zijn bestuursfunctie te respecteren tot definitief is beslist over zijn royement of tot hij rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder.

De voorzieningenrechter wijst er ten overvloede nog op dat het in het belang van partijen en die van de geloofsgemeenschap is, dat partijen zich, in afwachting van de uitkomst van de stemming in de Algemene Ledenvergadering over het royement, correct jegens elkaar gedragen.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd.

De Vereniging is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 25,07

- griffierecht € 90,00

- salaris advocaat € 1.107,-

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.400,07

Ter nadere toelichting op voormelde begroting wordt overwogen dat de eisende partij heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en vergoeding van het salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding. Ten slotte vallen onder de proceskosten ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel. In geval van betekening van het vonnis wordt een extra bedrag aan salaris toegekend. De explootkosten van de betekening van het vonnis komen in dit geval niet voor vergoeding in aanmerking.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

stelt vast dat het bestuur van de Vereniging [eiser 1] en [eiser 2] feitelijk heeft geroyeerd, wat met zich brengt dat [eiser 1] en [eiser 2] gerechtigd zijn om binnen één mand na heden schriftelijk van dit royement in verzet te komen bij de algemene ledenvergadering van de Vereniging;

gebiedt de Vereniging om totdat de algemene ledenvergadering zich over het royement van [eiser 1] en [eiser 2] heeft uitgesproken, de aan [eiser 1] en [eiser 2] toekomende rechten uit hoofde van hun lidmaatschap te respecteren, waaronder in ieder geval wordt begrepen het actief participeren in verenigingsactiviteiten en bijeenkomsten;

gebiedt de Vereniging om totdat de algemene ledenvergadering zich over het royement van [eiser 1] en [eiser 2] heeft uitgesproken, de aan [eiser 1] toekomende rechten uit hoofde van zijn bestuursfunctie te respecteren;

bepaalt dat de Vereniging een dwangsom is verschuldigd van telkens € 250,00 voor iedere keer dat zij in strijd handelt met de geboden onder 5.2 en 5.3, met een maximum van telkens € 5.000,00;

veroordeelt de Vereniging in de proceskosten van € 1.400,07, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Vereniging niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de Vereniging € 92,00 extra betalen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2025.

ddg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?