ECLI:NL:RBDHA:2025:27275

ECLI:NL:RBDHA:2025:27275

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer NL25.55056 en NL25.55057
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel, Turkije, verweerder vindt eisers identiteit en zijn gestelde problemen met de familie [naam 1] vanwege het kopen van een perceel niet geloofwaardig. Beroep gegrond maar aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Niet gebleken dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Nader gehoor is onzorgvuldig tot stand gekomen nu eiser geen toereikende juridische ondersteuning heeft gehad. Het had op de weg van verweerder gelegen om na te gaan of eiser daadwerkelijk met zijn nieuwe gemachtigde het nader gehoor heeft kunnen voorbereiden. Rechtsgevolgen in stand laten omdat eiser meermaals in de gelegenheid is gesteld om dat wat volgens hem niet, dan wel niet juist, tijdens het nader gehoor naar voren is gekomen.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Kesbergen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Eiser heeft op 25 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 10 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, een telefonische tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit, is geboren op [geboortedatum] 1995 en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hij heeft – kort samengevat – het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft problemen ondervonden vanwege een conflict met de familie [naam 1] over de koop van een perceel. Meerdere keren is het conflict geëscaleerd waarbij er over en weer op elkaar is geschoten. Bij een van deze incidenten is eiser in zijn been geraakt en is zijn moeder overleden. Vervolgens heeft eiser iemand van de tegenpartij neergeschoten waarna eiser in de gevangenis is beland. Na twee jaar en twee maanden is eiser voorwaardelijk vrijgelaten en heeft hij Turkije verlaten.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:

Verweerder vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft volgens verweerder geen oprechte inspanning geleverd om dit asielmotief te onderbouwen. Ook vormen de verklaringen van eiser over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eisers gestelde problemen vanwege het kopen van een perceel vindt verweerder evenmin geloofwaardig. Volgens verweerder vormen de verklaringen van eiser over de gestelde problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en hij heeft daar geen goede verklaring voor. Daarnaast vindt verweerder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij een alias heeft gebruikt en het besluit op zijn eerste asielaanvraag niet heeft afgewacht. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Turkije. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt, hij kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, hij zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen, en omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst stelt eiser dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt en hij verwijst daarbij naar drie prejudiciële verwijzingsuitspraken. Daarnaast is de afname van het gehoor onzorgvuldig geweest nu verweerder geen rekening heeft gehouden met de door eiser geschetste omstandigheden. Ook heeft eiser geen kans op wederhoor gehad nu hij niet wist dat hij correcties en aanvullingen kon indienen. Verweerder had dan ook niet uit mogen gaan van stilzwijgende instemming met de inhoud van het verslag. Verder had verweerder niet mogen tegenwerpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd omdat daartoe fysieke en praktische belemmeringen bestonden en eiser ontoereikende juridische begeleiding heeft gehad. Bovendien zit eiser in bewaring en dan kan niet verwacht worden dat hij zijn aanvraag goed kan onderbouwen.

Eiser heeft bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging op de grond van zijn lidmaatschap van een bepaalde sociale groep, namelijk de familie [naam 2]. Het geweld dat eiser en zijn familie hebben ervaren voldoet naar de aard en intensiteit aan de definitie van vervolging. Daarnaast zorgt het geweld ervoor dat eiser bij terugkeer ook een reëel en persoonlijk risico op ernstige schade loopt.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

De geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen

6. De rechtbank ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is en in strijd is met het Unierecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas geen documenten overgelegd, daarom heeft verweerder eisers verklaringen getoetst aan de voorwaarden zoals vastgelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 en dit komt overeen met stap 2b van de geloofwaardigheidsbeoordeling uit de toepasselijke Werkinstructie 2024/6. Daarbij is verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende ingegaan op de verklaringen van eiser, waarbij hij heeft uitgelegd waarom bepaalde inconsistenties en tegenstrijdigheden in zijn verklaringen zijn tegengeworpen. Zo zijn bijvoorbeeld eisers nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig geacht, maar zijn identiteit niet. Omdat in het geval van eiser niet aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 wordt voldaan, heeft verweerder de asielmotieven niet geloofwaardig gevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om over de wijze van beoordeling door verweerder anders te oordelen door de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft gesteld, en verwijst daarbij ook naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 maart 2025.

Is het nader gehoor zorgvuldig tot stand gekomen?

7. Voor zover eiser aanvoert dat er geen rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden die van invloed waren op zijn vermogen om te verklaren, volgt de rechtbank dit niet. Uit het verslag van het nader gehoor maakt de rechtbank op dat rekening is gehouden met de omstandigheid dat eiser net wakker was. De hoormedewerker stelt namelijk, als reactie op eisers verklaring dat hij nog niet helemaal wakker is, dat ze het gehoor rustig zullen beginnen. Ook heeft de hoormedewerker vermeld dat eiser nog correcties en aanvullingen kon indienen. Daarnaast heeft eiser niet onderbouwd hoe de omstandigheid dat hij net wakker was en hij de weg daar niet kent, zijn vermogen om consistente en gedetailleerde verklaringen te geven heeft beïnvloed. Daarbij stelt de rechtbank ook vast dat eiser geen correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft ingediend.

8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij ontoereikende juridische ondersteuning heeft gehad bij de voorbereiding van het nader gehoor, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser op 30 oktober 2025 een nieuwe gemachtigde toegewezen heeft gekregen en dat het nader gehoor op 3 november 2025 plaatsvond. Uit het verslag van dat gehoor komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat eiser niet op het nader gehoor is voorbereid. Zo verklaart eiser meerdere keren dat hij onvoorbereid naar het gehoor is gekomen en dat hij zijn advocaat nog niet heeft gesproken. Gelet op de vergewisplicht en dat wat in artikel 3.109, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 is opgenomen, had het op de weg van verweerder gelegen om na te gaan of eiser daadwerkelijk met zijn nieuwe gemachtigde het nader gehoor heeft kunnen voorbereiden. Dat eiser een gemachtigde toegewezen heeft gekregen betekent immers niet dat daaruit volgt dat eiser ook op het gehoor is voorbereid. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. In zoverre is het beroep gegrond en daarom zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet echter voldoende aanleiding – mede gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen – om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank dat eiser meermaals in de gelegenheid is gesteld om dat wat volgens hem niet, dan wel niet juist, tijdens het gehoor naar voren is gekomen alsnog aan te vullen of te corrigeren. Zo heeft eiser correcties en aanvullingen in kunnen dienen, maar daarvan geen gebruik gemaakt. Ook heeft eiser in de zienswijze, in beroep en ter zitting geen concrete punten in dit kader aangevoerd.

9. Nu de rechtbank aanleiding ziet om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, zal zij ook de overige beroepsgronden van eiser bespreken.

Heeft eiser kans gehad op hoor en wederhoor?

10. Gelet op dat wat de rechtbank hierboven onder rechtsoverweging 8 heeft overwogen, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat hij geen kans heeft gehad op hoor en wederhoor. Eiser is immers in de gelegenheid gesteld om correcties en aanvullingen in te dienen op zowel het aanmeldgehoor als ook op het nader gehoor. Dat eiser stelt niet op de hoogte te zijn geweest van deze mogelijkheid, maakt dit oordeel niet anders, nu uit het dossier blijkt dat de gemachtigde het verslag van het nader gehoor met eiser heeft nabesproken en verweerder de termijn voor het indienen van de correcties en aanvullingen heeft verlengd.

Mocht verweerder de identiteit van eiser ongeloofwaardig vinden?

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eisers identiteit niet geloofwaardig is. Verweerder heeft mogen vinden dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn identiteit te onderbouwen. Daarbij heeft verweerder van belang mogen achten dat eiser al eerder asiel heeft aangevraagd en toen ook al is verzocht documenten aan te leveren ter staving van zijn identiteit. Eiser voert in beroep aan dat het voor hem praktisch onmogelijk was om aan documenten te komen omdat hij geen toegang heeft tot e-devlet, maar onderbouwt dit verder niet. Ook blijkt uit wat eiser in beroep aanvoert niet welke inspanningen hij heeft verricht om aan documenten te komen. Dat eiser in beroep stelt dat hij tijdens zijn vlucht geen documenten heeft kunnen meenemen, maakt het oordeel niet anders. Hierbij is van belang dat eiser tevens heeft verklaard dat hij een identiteitskaart had, maar deze heeft weggegooid nadat hij in Nederland was aangekomen.

12. Verweerder heeft eiser verder tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het wel of niet hebben van een paspoort, dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend, en dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft geen gronden aangevoerd waarom de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder in het kader van bovengenoemde tegenwerpingen onjuist is.

Mocht verweerder eisers gestelde problemen met de familie [naam 1] vanwege het kopen van percelen ongeloofwaardig vinden?

13. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij geen problemen meer heeft ondervonden sinds zijn vertrek, dat hij summier heeft verklaard over de problemen met de familie [naam 1], dat hij tegenstrijdig en inconsistent heeft verklaard over wie zijn moeder heeft vermoord, dat hij tegenstrijdig en ongerijmd heeft verklaard over zijn reisroute en dat hij tegenstrijdig heeft verklaard op de vraag of hij al dan niet een misdrijf heeft gepleegd. Eiser heeft geen gronden aangevoerd waarom de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder in het kader van bovengenoemde tegenwerpingen onjuist is.

Afwijzing kennelijk ongegrond

14. De rechtbank stelt vast dat verweerder de asielaanvraag heeft afgewezen

als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen geen beroepsgronden aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.

16. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,-.

17. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen

van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?