ECLI:NL:RBDHA:2025:27281

ECLI:NL:RBDHA:2025:27281

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-11-2025
Datum publicatie 09-02-2026
Zaaknummer NL25.15376
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

MK-uitspraak, asiel Turkije, HDP, gegrond.

Uitspraak

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1995, van Turkse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing zijn asielaanvraag.

Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025, gelijktijdig maar niet gevoegd met het beroep van eisers partner, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon 1] (de partner van eiser), E. Taskin als tolk in de Turkse taal, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag. Eiser is sinds zijn jeugd actief voor [partij 1] door middel van activiteiten en protesten. Tijdens zijn studie moest hij vanwege conflicten tussen linkse en rechtse studenten van universiteit wisselen, waarbij hij ook vanwege zijn Koerdische achtergrond werd bedreigd. Daarnaast kreeg hij problemen met de politie vanwege zijn deelname aan demonstraties. Na zijn studie is eiser gaan werken als stedelijk planner voor een bedrijf dat onder de orde van Stedelijke Planning viel. De burgemeester was in die tijd vervangen door een curator en eiser merkte dat in een rapport berekeningen van bevolkingsaantallen niet klopten en dat zakenmensen steekpenningen konden betalen om winst te halen. Eiser heeft deze onregelmatigheden gemeld aan de orde. Eiser is hierdoor door ene [persoon 2] , een afdelingshoofd bij de gemeente, met de dood bedreigd. Eiser denkt dat [persoon 3] , het hoofd van de orde van Stedelijke Planning, eisers naam heeft genoemd bij [persoon 2] . Eisers werkgever en de vader van eiser, tevens ambtenaar, zijn ook bedreigd vanwege het feit dat eiser onregelmatigheden kenbaar heeft gemaakt. Eiser heeft daarop het land verlaten. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat de curator nog achter hem aanzit.

Documenten

5. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag de volgende documenten ten grondslag gelegd:

In beroep heeft eiser nog een verklaring overgelegd waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport toelicht en een artikel van het Haarlems Dagblad met de titel ‘Protest tegen komst omstreden Turkse sjeik naar Badhoevedorp: slaande ruzie binnen machtige moslimgemeenschap om ‘verdwenen miljoenen” van 6 oktober 2025.

Het bestreden besluit

6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst;

Lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] ;

Problemen door werkzaamheden;

Problemen wegens Koerdische afkomst;

De militaire dienstplicht.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, evenals de problemen vanwege zijn Koerdische afkomst en de militaire dienstplicht geloofwaardig. Het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] acht de minister deels geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiser onvoldoende documenten gegeven en heeft hij daar geen goede verklaring voor. Eiser heeft alleen een document overgelegd over zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023/2. Eiser heeft niet met documenten onderbouwd dat hij sinds 2020 lid was van de partij en hij heeft evenmin documenten overgelegd van zijn lidmaatschap van [bedrijf] in de periode januari 2023 tot eind mei 2023. De verklaringen van eiser zijn daarmee tegenstrijdig met het document dat hij heeft overgelegd. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat eiser aanwezig is geweest bij evenementen van [partij 1] en dat eiser in de periode 2023/2 lid was van [partij 1] . De problemen door de werkzaamheden als stedelijk planner acht de minister niet geloofwaardig, omdat eiser met zijn verklaringen of documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij betrokken was bij het stedelijk plan. Volgens de minister bestaan eisers verklaringen geheel uit aannames en vermoedens. Aan de door eiser overgelegde verklaringen kent de minister beperkte waarde toe, omdat deze subjectief zijn. De overige stukken onderbouwen enkel zijn functie bij de werkgever. De minister acht ook relevant dat eiser na de bedreiging niet opnieuw is bedreigd, Turkije legaal heeft verlaten en er geen strafrechtelijke procedure tegen hem loopt.

De geloofwaardig bevonden asielmotieven acht de minister onvoldoende zwaarwegend om over te gaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning. Eiser valt als lid van [partij 1] onder het risicoprofiel volgens paragraaf C7 34.3.2 van de Vc, maar heeft volgens de minister niet voldaan aan het individualiseringsvereiste. Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor de Turkse dienstplicht niet aannemelijk gemaakt, omdat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser voldoet aan één van de drie voorwaarden genoemd in paragraaf C2 3.2.7 van de Vc. De discriminatie die eiser heeft ervaren als Koerd is niet dusdanig van aard om aan te merken als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

Ten aanzien van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling

7. Eiser voert allereerst aan dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht en het EVRM, en daarom ten onrechte door de minister is toegepast. Het vereiste van objectieve en authentieke documenten is niet noodzakelijk om het asielrelaas voldoende te onderbouwen. Er vindt volgens de nieuwe werkinstructie dan geen volledige en inhoudelijke beoordeling plaats, wat strookt met het absolute verbod op refoulement. Eiser wijst in dit verband op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 maart 2025 en de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 waarin prejudiciële vragen zijn gesteld over de werkwijze van WI 2024/6. Eiser heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen.

De rechtbank overweegt dat tussen partijen geen discussie bestaat over het Unierechtelijk kader, zoals dat door eiser naar voren is gebracht. Evenmin staat tussen partijen ter discussie dat WI 2024/6 op zichzelf in deze procedure niet ter toetsing voorligt. Ter beoordeling staat of de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, en de daarbij gebruikte bewijsmaatstaf, in strijd is met het (Unie)recht. Hierbij kan de door de minister gehanteerde wijze van beoordelen van de geloofwaardigheid wel relevant zijn. De rechtbank overweegt dat, gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 7.2 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, en maakt deze overweging de hare. Dit betekent echter niet dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voordeel van de twijfel door de minister in zijn algemeenheid op een andere of onjuiste wijze wordt toegepast. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van het lidmaatschap van en activiteiten voor [partij 1] vóór 2023

8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard omdat zijn verklaringen dat hij lid is geweest van [partij 1] en daarna van [bedrijf] in strijd zouden zijn met het bewijs uit E-Devlet dat hij in juni 2023 lid was van [partij 1] . Eiser heeft verklaard dat in E-Devlet alleen het huidige, laatste, lidmaatschap van een politieke partij wordt vermeld. Het lag in dit geval op de weg van de minister om aan te tonen dat eiser meer stukken uit E-Devlet kan halen.

De rechtbank stelt vast dat eiser een document heeft overgelegd van zijn lidmaatschap bij [partij 1] in de periode 2023/2, alsmede een verklaring van DEMNED waarin staat dat eiser een activist is die heeft deelgenomen aan politieke activiteiten binnen [partij 1] in Turkije. De rechtbank stelt voorop dat de minister, gelet op het verhandelde ter zitting, eiser niet langer tegenwerpt dat zijn verklaringen over zijn lidmaatschap bij [partij 1] vanaf 2020 en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] tegenstrijdig zijn met het document dat eiser heeft overgelegd met betrekking tot zijn lidmaatschap van [partij 1] . Ook wordt niet langer door de minister betwist dat eerdere lidmaatschappen niet zichtbaar zijn in E-Devlet. De minister blijft echter bij zijn standpunt dat eiser onvoldoende documenten over zijn eerdere lidmaatschap bij [partij 1] en zijn lidmaatschap bij [bedrijf] heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. De rechtbank volgt dat standpunt niet en licht dat als volgt toe.

Eiser heeft op de zitting toegelicht dat uit veiligheidsoverwegingen binnen [partij 1] informatie-uitwisseling op het partijkantoor plaatsvindt, en er geen bewijzen zoals e-mails en brieven worden gestuurd. Eiser heeft daarbij in het nader gehoor verklaard dat hij bij [partij 1] op de achtergrond probeerde te blijven en niet teveel in beeld wilde komen. Daarnaast heeft eiser er in de zienswijze al op gewezen dat uit landeninformatie blijkt dat een lidmaatschapskaart van [partij 1] pas verkregen kan worden als iemand politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheden heeft binnen de partij, wat bij eiser niet het geval was.

Gelet op de uitgebreide verklaringen van eiser over zijn betrokkenheid bij [partij 1] sinds de middelbare school, het feit dat de minister niet betwist dat eiser sindsdien deelneemt aan evenementen van [partij 1] , en nu de stelling van de minister dat eiser over meer bewijsstukken zou beschikken slechts op een vermoeden berust, heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vóór 2023/2 lid was van [partij 1] . De beroepsgrond slaagt.

Ten aanzien van de problemen vanwege eisers werkzaamheden als stedelijk planner

9. Eiser stelt zich verder op het standpunt de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij zijn werk als stadsplanner en de problemen vanwege zijn werk niet heeft onderbouwd. Zijn werk en opleiding tot stadsplanner heeft eiser met vele documenten onderbouwd. De problemen heeft eiser vervolgens met zijn persoonlijk relaas en zijn waarnemingen, met name van bedreigingen aan zijn eigen adres en aan het adres van zijn vader, onderbouwd. Het besluit miskent dat vermoedens en aannames voldoende (kunnen) zijn om gegronde vrees voor vervolging aannemelijk te maken. Gegronde vermoedens en aannames leveren immers een gegronde vrees voor vervolging op. Ten onrechte stelt de minister dat er meer van eiser verwacht mag worden, zonder dat daar in het nader gehoor naar is gevraagd. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser een stuk ingediend waarin hij de gang van zaken rond het planologisch rapport uiteenzet. Daarin is ook verwezen naar de Turkse overheidssite van planning, waar op de stedelijke plannen de naam van eiser naar voren komt.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, zoals deze tijdens de zitting naar voren zijn gekomen. Anders dan is opgenomen in het bestreden besluit, heeft de minister ter zitting erkend dat eiser betrokken was bij het nieuwe stedelijke plan. Daarmee staat enkel nog ter discussie of eiser naar aanleiding van die betrokkenheid problemen heeft ondervonden. De minister acht het ongeloofwaardig dat eiser is bedreigd en dat zijn vader en zijn werkgever eveneens bedreigingen hebben ontvangen. Eiser heeft volgens de minister onvoldoende stukken overgelegd om deze bedreigingen te onderbouwen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde problemen van eiser enkel berusten op aannames en vermoedens. Eiser heeft bij zijn aanvraag en in beroep namelijk vele documenten overgelegd. Onder deze documenten bevinden zich gedetailleerde verklaringen van bijvoorbeeld de vader van eiser en een whatsappgesprek met een collega. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de inhoud van deze stukken is beoordeeld, noch welke waarde hieraan in de besluitvorming is toegekend. Dat deze stukken niet afkomstig zijn uit een objectieve bron, zoals de minister stelt, betekent niet dat hieraan geen enkele waarde kan worden toegedicht. De enkele opmerking dat de stukken “subjectief” zouden zijn, doet verder geen recht aan de aard en inhoud daarvan. De minister miskent hiermee namelijk dat de overgelegde stukken eigen waarnemingen en ervaringen van derden bevatten, en niet enkel een weergave vormen van hetgeen eiser zelf heeft verklaard. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser uitgebreid, gedetailleerd en coherent heeft verklaard en de overgelegde stukken, allemaal in onderlinge samenhang, in lijn zijn met eisers verklaringen. Zo komt bijvoorbeeld het overlegde screenshot van het whatsappgesprek dat eiser is bedreigd wat datum betreft overeen met de door eiser genoemde vergadering bij de gemeente waarbij eiser is bedreigd. Ook heeft eiser een aantal krantenartikelen overgelegd waaruit volgt dat er een rechtszaak is geweest tussen de orde van Stedelijke Planning en de curator, en dat er persconferenties zijn geweest van de Orde van Turkse Architecten en Engineers, waar ook de orde van Stedelijke Planning onder valt, en [partij 1] waarin wordt gesproken van bedreigingen vanuit de curator. Omdat de minister niet langer betwist dat eiser betrokken is geweest bij zowel het oude als nieuwe stedelijke plan, kan niet worden volgehouden dat eisers relaas enkel op vermoedens of aannames berust.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister een ondeugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. De minister heeft de verklaringen van eiser en de door hem overgelegde bewijsstukken onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld. Bovendien heeft de minister de relevante landeninformatie onvoldoende kenbaar betrokken bij zijn beoordeling. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. Uit de overwegingen 8.1, 8.2 en 9.3 volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzitter, en mr. C.A.R. Bleijendaal, en mr. H.B. van Gijn, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.B. de Boer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?