RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.35863 (beroep)
NL25.35864 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers)
en
(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
1. Eiser is afkomstig uit Algerije. Hij heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij ten onrechte is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf in Algerije wegens drugshandel. Met zijn opvolgende asielaanvraag heeft eiser een kopie van het vonnis overgelegd. Een aantal dagen voor de zitting heeft eiser ook het originele vonnis overgelegd.
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen. Verweerder gelooft niet dat eiser problemen had met een drugsbende en dat hij vervolgens is veroordeeld voor drugshandel. De rechtbank volgt verweerder. Het beroep is ongegrond.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 29 juli 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser,
[naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Daags voor de zitting had eiser het originele vonnis uit Algerije ontvangen. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden, zodat het vonnis kon worden onderzocht op echtheid.
Op 20 oktober 2025 heeft verweerder een verklaring van onderzoek, verricht door Bureau Documenten, over het vonnis ingediend. Op 30 oktober 2025 heeft verweerder een standpunt ingenomen over de verklaring van onderzoek.
Op 4 november 2025 heeft eiser op verweerders standpunt gereageerd.
Op 18 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Een groep mannen heeft eiser gevraagd of hij mee wilde werken in de drugshandel. Dit heeft eiser geweigerd. Kort daarna werd de groep opgepakt. De mannen verdenken eiser ervan dat hij hen heeft verlinkt en daarom hebben zij de autoriteiten verteld dat eiser met hen samenwerkte. Daardoor is eiser veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens drugshandel. Eiser heeft opnieuw asiel aangevraagd, omdat hij nu een kopie van het vonnis heeft. Enkele dagen voor de zitting heeft hij bovendien het originele vonnis ontvangen.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:
1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. eisers veroordeling wegens drugshandel door problemen met de drugsbende.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers veroordeling wegens drugshandel door problemen met de drugsbende vindt verweerder echter ongeloofwaardig. Allereerst vindt verweerder dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Eiser heeft - bij deze opvolgende aanvraag - enkel een kopie van het vonnis overgelegd, want het originele vonnis ligt volgens eiser nog in Algerije. Hoewel eiser al in februari 2025 is verteld dat hij het originele vonnis moet laten opsturen, heeft hij nog geen poging gedaan om aan het originele document te komen. Eiser voldoet daarom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Ten tweede vindt verweerder dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eisers problemen met de drugsbende heeft verweerder immers al ongeloofwaardig geacht in het besluit van 30 januari 2024 en dat staat nu in rechte vast. Daarom volgt verweerder ook niet dat eiser vanwege die drugsbende vals is beschuldigd van drugshandel. Ook vindt verweerder dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe zijn broer aan het vonnis is gekomen. Eiser voldoet om deze redenen ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Ten derde vindt verweerder dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft namelijk in zijn vorige procedures verklaringen afgelegd die zijn geloofwaardigheid in het algemeen aantasten. Daarom voldoet eiser ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
Na de verklaring van onderzoek door Bureau Documenten, heeft verweerder aanvullend gesteld dat nu de authenticiteit van het overgelegde vonnis niet kan worden vastgesteld, dit geen reden geeft voor een ander standpunt over de gestelde veroordeling wegens drugshandel.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 31, eerste lid en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Eiser heeft eerder al een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar gekregen.
Heeft verweerder eisers verklaringen over hoe eisers broer aan het vonnis is gekomen, tegenstrijdig mogen vinden?
5. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte verwijt dat hij moedwillig heeft nagelaten om over het vonnis te spreken. Eiser ging er aanvankelijk van uit dat de instantie Wesee het vonnis bij zich had toen deze instantie bij eiser thuis kwam om hem te arresteren. Later begreep eiser dat de inhoud van het vonnis mondeling aan eisers broer was medegedeeld en dat zijn broer middels een advocaat het vonnis had bemachtigd. Eiser kan niet verklaren over iets wat hij niet weet.
De rechtbank stelt vast dat verweerder zijn tegenwerping dat eiser niet eerder over het vonnis heeft gesproken, met het bestreden besluit heeft laten vallen. De rechtbank begrijpt eisers daarom beroepsgrond zo, dat eiser vindt dat verweerder hem ten onrechte verwijt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe zijn broer aan het vonnis is gekomen. De rechtbank volgt dit niet. In het voornemen heeft verweerder zich namelijk op het standpunt gesteld dat eiser tijdens zijn eerdere asielprocedure heeft verklaard dat hij rond januari 2025 van zijn broer vernam dat de instantie Wesee bij eiser thuis is gekomen om te vertellen dat de rechtbank een oordeel heeft geveld en het vonnis heeft afgegeven. Volgens verweerder verklaart eiser enerzijds dat zijn broer actief onderzoek heeft gedaan naar eisers veroordeling en anderzijds dat er mensen aan de deur zijn geweest die dit aan eisers broer hebben verteld. Dit vindt verweerder tegenstrijdig. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij eenduidig kan verklaren over hoe zijn broer achter het vonnis is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder meer waarde moeten hechten aan de kopie van het vonnis en aan het originele vonnis?
6. Eiser voert aan dat hij met de kopie van het vonnis heeft aangetoond dat hij bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser dient verweerder ook aan de kopie van het vonnis waarde te hechten. Eiser beroept zich op het arrest LH, waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft bepaald dat de autoriteiten van een lidstaat rekening moeten houden met elk document dat door de asielzoeker ter staving van een opvolgende asielaanvraag wordt overgelegd, ook als het document niet-geauthentiseerd is of afkomstig is van een niet objectief verifieerbare bron.
Bovendien heeft eiser enkele dagen voor de zitting het originele vonnis uit Algerije ontvangen. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij met dit originele vonnis voldoende heeft aangetoond dat hij in Algerije is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en dat hij bij terugkeer daarom een reëel risico loopt op ernstige schade.
De rechtbank volgt eiser niet. In het arrest LH heeft het Hof inderdaad geoordeeld dat de autoriteiten van een lidstaat rekening moeten houden met ieder document dat door de vreemdeling ter staving van een opvolgende asielaanvraag wordt overgelegd, ook als dit document een kopie betreft. In het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser tijdens zijn eerdere asielprocedure tegenstrijdig heeft verklaard over dit asielmotief en dat hij in deze procedure wederom tegenstrijdig heeft verklaard. Hoewel de kopie dient als ondersteuning van eisers verklaringen, kan deze kopie niet eisers tegenstrijdige en inconsistente verklaringen wegnemen. De rechtbank volgt verweerders standpunt.
Verder overweegt de rechtbank dat er over het originele vonnis door Bureau Documenten een neutraal advies is afgegeven. Gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal kan Bureau Documenten geen uitspraak doen over de echtheid van het document. Evenmin kan Bureau Documenten uitspraak doen over de opmaak en afgifte van het document en ook kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat het originele vonnis daarom niet meer bewijswaarde heeft dan de eerder overgelegde kopie. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet heeft toegelicht waarom hij het originele vonnis pas daags voor de zitting heeft overgelegd, terwijl uit de verklaring van onderzoek blijkt dat het stuk al op 24 juli 2025 was afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder mogen besluiten om de bewaringsmaatregel te verlengen?
7. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft besloten om eisers bewaring met drie maanden te verlengen. Verweerder heeft het besluit om de bewaring te verlengen ondeugdelijk gemotiveerd.
In deze procedure kan de rechtbank niet oordelen over de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel. Eiser dient apart beroep hiertegen in te stellen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Nu de rechtbank uitspraak doet over eisers beroep en dit ongegrond verklaart, is er geen grond meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat in beide zaken geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.