ECLI:NL:RBDHA:2025:27524

ECLI:NL:RBDHA:2025:27524

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-08-2025
Datum publicatie 12-02-2026
Zaaknummer NL25.4995 NL25.4996
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Regulier, 20 VWEU, 7 Handvest, 8 EVRM, hoorplicht, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.4995 en NL25.4996

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing), en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU/EER verblijfsdocument. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.

De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser is het niet eens met dat besluit en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Beroepsgronden
Oordeel van de rechtbank
Artikel 31 Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht

Feiten

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1962 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft op 12 maart 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eiser stelt dat sprake is van een zeer bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen hem en een Burger van de Unie, namelijk zijn Nederlandse echtgenote [referente] (referente) en haar minderjarige zoon [naam] , als bedoeld het arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 8 mei 20181 in de zaak K.A. (K.A.-arrest).

Vrijstelling griffierecht

3. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van een zodanig uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referente dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Alleen in uitzonderlijke situaties kan tussen twee meerderjarige personen, waarvan één een meerderjarige burger van de Unie betreft, een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU bestaan. Volgens de minister is er in het geval van eiser geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het K.A.-arrest. Eiser heeft niet aangetoond dat referente medische problemen heeft, dat sprake is van een uitzonderlijke psychische situatie en dat zij alleen van eiser afhankelijk is. Eiser heeft ook niet aangetoond dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheid dat hij op geen enkele wijze van referente kan worden gescheiden. Evenmin is aangetoond dat het weigeren van verblijf aan eiser ertoe zal leiden dat referente gedwongen zal zijn het grondgebied van de lidstaten te verlaten. Tenslotte heeft de minister ambtshalve getoetst aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar heeft hij geconcludeerd dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het recht op familie- en privéleven.

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser is van mening dat haar aanvraag zowel ziet op toetsing aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU als op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser stelt dat de minister de aanvraag ten onrechte eerst heeft getoetst aan het Europese recht en vervolgens aan het nationale recht. Volgens eiser moet de minister eerst aan het nationale recht en vervolgens aan het Europese recht toetsen. Verder stelt eiser dat de minister – onder andere in strijd met artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) – de hoorplicht heeft geschonden door haar in de bezwaarprocedure niet te horen. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst eiser erop dat zij in afwachting is van rapportages van medisch deskundigen en een eigen verklaring heeft overgelegd. Bovendien heeft referente medische klachten en bestaat er een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente. Eiser heeft op de zitting in dit kader aangevoerd dat het niet mogelijk was om de medische documenten hierover te ontvangen. Ook voert eiser aan dat hij een verwesterde vreemdeling is en om die reden rechtmatig verblijf in Nederland moet krijgen. Tot slot verwijst eiser naar verschillende uitspraken van nationale rechtbanken, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), het HvJ en een handleiding van de Europese Commissie.

1. ECLI:EU:C:2018:308.

6. Op de zitting heeft referente aangevoerd dat zij door eiser niet meer alleen is en zich niet meer eenzaam voelt. Referente heeft nu iemand die haar bij kan staan bij moeilijke besluiten en ze heeft geen problemen meer met haar ex-partner. Ook is referente nu niet meer afhankelijk van de Belastingdienst. Daarnaast is er door de komst van eiser een man-figuur in huis waar het zoontje van referente (eisers stiefzoon) naar op kan kijken. De minister had, omdat er in deze procedure een minderjarige Unieburger in het spel is, op grond van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) een specifieke overweging moeten wijden aan de gevolgen van het bestreden besluit voor eiser stiefzoon.

Vooraf

7. In de nacht van 10 juli 2025 op 11 juli 2025, om 01.58 uur, heeft eiser nog aanvullende (medische) documenten ingediend. Omdat in dit geval sprake is van de behandeling van het beroep en een voorlopige voorziening mag eiser tot één dag voor de zitting nog nieuwe documenten aanleveren.2 De documenten die eiser heeft aangeleverd zijn dus te laat ingediend. De stelling van eiser dat het moeilijk was om deze medische documenten in handen te krijgen, kan eiser niet helpen. De datum die op deze documenten staat is namelijk mei 2025. Daarom valt niet in te zien dat eiser deze documenten niet eerder heeft kunnen aanleveren. De rechtbank laat deze documenten daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

8. De rechtbank overweegt verder dat uit het enkel in algemene zin verwijzen naar uitspraken, (internationale) wetsartikelen en het handboek van de Europese Commissie – zonder dit nader toe te lichten – de rechtbank niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien heeft eiser op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom de aangehaalde uitspraken op zijn situatie van toepassing zijn. Deze punten zal de rechtbank daarom niet als beroepsgronden aanmerken.

De aanvraag

9. De minister heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiser getoetst of eiser voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU. Vervolgens heeft de minister ambtshalve getoetst of sprake is van een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft dus zowel getoetst aan artikel 20 van het VWEU als aan artikel 8 van het EVRM.

10. Zoals volgt uit het beleid van de minister zal bij de afwijzing van een reguliere aanvraag ambtshalve worden beoordeeld of er aanknopingspunten bestaan voor een verblijfsrecht op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn, artikel 10 van Verordening 492/2011, artikel 21 VWEU of artikel 20 VWEU.3 Dus in zoverre kan eiser gevolgd worden in zijn stelling. In eisers geval ligt echter een aanvraag voor toetsing aan artikel 20 VWEU voor. Er is geen reguliere verblijfsvergunning aangevraagd, dus de minister hoeft niet te toetsen of er sprake is van een verblijfsrecht op nationale gronden. Bij het verlenen van een verblijfsvergunning op een aanvraag geldt immers dat de vreemdeling bij de aanvraag het verblijfsdoel moet opgeven. Dit doet hij door een beperking aan te kruisen op het vastgestelde aanvraagformulier. Het is aan de minister om, naar aanleiding van het opgegeven specifieke verblijfsdoel, te bepalen welke beperking van toepassing is. Uit paragraaf B1/8.1 Vc blijkt overigens dat de minister met behulp van het aanvraagformulier kenbaar maakt welke documenten daarvoor nodig zijn.4 Eiser heeft op het aanvraagformulier om toetsing aan het EU-recht voor niet de EU afkomstige familieleden anders dan ouders, grootouders, kinderen of kleinkinderen van de burger van de Unie (niet zijnde Nederlander) verzocht. Subsidiair heeft hij verzocht om toetsing aan artikel 8 van het EVRM. De minister heeft dan ook terecht eerst getoetst aan artikel 20 VWEU en vervolgens aan artikel 8 van het EVRM. Er is terecht niet aan andere (reguliere) verblijfsgronden getoetst.

2 Zie artikel 8:83, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Paragraaf B10/2.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

Artikel 20 VWEU

11. Zoals is overwogen in de rechtsoverwegingen 9 en 10, is de aanvraag van eiser leidend voor de beoordeling van de minister. Eisers aanvraag ziet op een afgeleid verblijfsrecht als familielid van een Burger van de Unie. Een derdelander zoals eiser kan een verblijfsrecht ontlenen aan het verblijfsrecht van een Burger van de Unie, als sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Uit het K.A.-arrest volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen tussen twee volwassen familieleden een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU kan bestaan, als een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken.5

12. De beantwoording van de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een beoordeling door de minister van de, gelet op artikel 4:2 van de Awb, door eiser in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.6

13. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen hem en referente bestaat dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Eiser heeft weliswaar stukken in de bestuurlijke fase overgelegd, zoals een uittreksel uit de huwelijksakte en een verklaring van referente en eiser zelf, maar deze stukken onderbouwen de gestelde afhankelijkheidsrelatie geenszins. Ook de in de beroepsfase overgelegde documenten, zoals geboorteakte van eiser en de verklaring van referente op de zitting - dat eiser haar financieel ondersteunt en referente door eiser geen problemen meer heeft met haar ex-partner - maakt niet dat er sprake is van een dusdanige afhankelijkheidsrelatie. Gelet hierop heeft de minister de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep op het K.A.-arrest slaagt dan ook niet en de minister heeft zijn beoordeling in eerste instantie terecht beperkt tot deze toetsing. Vervolgens heeft de minister getoetst of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM.

4 Zoals volgt uit artikel I:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb artikel 4: I Awb, artikel 4:2 Awb en artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

5 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024,

r.o. 3.2., ECLI:NL:RVS:2024:2541.

6 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024, ECLENL:RVS:2024:2541.

Artikel 7 van het Handvest en artikel 8 van het EVRM

14. Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend. Volgens de toelichting bij het Handvest correspondeert artikel 7 van het Handvest met artikel 8 van het EVRM. Het voorgaande is bevestigd in vaste rechtspraak van het HvJ en de hoogste bestuursrechter.7

15. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van eiser is uitgevallen. Dit legt de rechtbank hierna uit.

16. Gezien eisers huwelijk met referente is er sprake van gezinsleven met referente. Voor het aannemen van gezinsleven met de minderjarige stiefzoon van referente moet er sprake zijn van hechte persoonlijke banden. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser geen sprake is van hechte persoonlijke banden met zijn stiefzoon. Eiser woont namelijk pas sinds 22 april 2024 op hetzelfde adres als zijn stiefzoon en het is niet gebleken dat eiser in overwegende mate zorg draagt voor zijn stiefzoon. De enkele stelling dat eiser een vaderfiguur is voor zijn stiefzoon is hiervoor onvoldoende.

17. Voor zover het gaat om gezinsleven met referente stelt de minister zich op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Eiser heeft in zijn gronden van beroep niet aangegeven waarom de belangenafweging de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. De enkele stelling dat eiser referente financieel ondersteunt is daarvoor onvoldoende.

18. Voor zover eiser stelt dat het besluit van de minister tot inhumane gevolgen leidt, onder verwijzing naar het arrest Jeunesse8 volgt de rechtbank eiser hierin niet. De minister heeft de aanvraag van eiser beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wet- en regelgeving en is - zoals uit het bovenstaande volgt - op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiser niet in aanmerking komt voor het gevraagde document en voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel de rechtbank goed begrijpt dat eiser en referente in elkaars nabijheid willen verblijven, kan dit niet tot de conclusie leiden dat het besluit van de minister inhumaan zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

19. Ten aanzien van het beroep op het arrest van 11 juni 20249 van het HvJ waaruit zou volgen dat eiser als de verwesterde vreemdeling een verblijfsrecht moet krijgen, overweegt de rechtbank allereerst dat eiser zijn stelling dat hij is verwesterd geenszins heeft onderbouwd. Ten tweede ziet het arrest op het beleid over verwestering binnen de beoordeling van asielaanvragen, terwijl eiser een reguliere aanvraag heeft gedaan voor toetsing aan het EU-recht. Gelet op de waterscheiding tussen reguliere en asielvergunningen, kan dit arrest eiser dan ook niet baten. De beroepsgrond slaagt niet.

7 Zie hiervoor bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 15 november 2011 (Dereci e.a.), ECLI:EU:C:2011:734 en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986. 8 Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 (Jeunesse t. Nederland),

ECLI:EC:ECHR:2014 :1003JUD001273 8 10.

9 Arrest van het Hof van 11 juni 2024, zaak C-646/21.

Hoorplicht

20. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser niet had hoeven horen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De minister mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.10 Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft de minister kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Eiser heeft immers ook in bezwaar geen stukken overgelegd om de afhankelijkheidsrelatie te onderbouwen. Ook is tijdens de bezwaarfase niet gecommuniceerd over de inspanningen die zijn verricht om deze stukken, zoals de aangekondigde rapportages, over te leggen. De minister mocht daarom van het horen in de bezwaarfase afzien.

21. Verder volgt de rechtbank niet eisers stelling dat op grond van artikel 41 van het Handvest sprake is van een absolute hoorplicht in bezwaar. Dit artikel ziet namelijk op het recht op behoorlijk bestuur door de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie en richt zich niet direct tot de lidstaten.11 Uit het voorgaande volgt ook dat eisers beroep op het preadvies van staatsraad mr. Seventer12 niet kan slagen.

Zorgvuldige besluitvorming

22. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat de minister de zaken van eiser onrechtmatig op stelselmatige wijze afdoet. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat sprake is van een projectmatige afdoening van de zaken vanwege hun gemeenschappelijke aangevraagde verblijfsdoel, niet maken dat er sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Ook is de rechtbank niet gebleken van vooringenomenheid, discriminatie en een bewuste schending van artikel 3:2 van de Awb.

23. Eisers beroepsgrond, dat de minister het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht schendt door bewust de lijn uit de rechtspraak van het EHRM en het Hof niet te volgen, is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Ook heeft eiser niet gemotiveerd op welke punten het besluit van de minister bewust strijdig zou zijn met de uitspraken die hij noemt. De beroepsgrond slaagt niet.

10 Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLENL:RVS:2022:1918.

11 Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 5 november 2014, zaaknummer C-166/13, ECLI:EU:C:2014:2336.

12 H. Sevenster, 'Heeft de keizer nieuwe kleren?' in: Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde, Deventer. Wolters Kluwer 2024.

Overige beroepsgronden

24. De rechtbank stelt vast dat de verdere beroepsgronden (grotendeels) uitsluitend een herhaling zijn van wat eiser al in bezwaar naar voren heeft gebracht. Daarop is de minister in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan. Eiser heeft niet aangegeven wat op deze punten niet juist is aan de motivering van het bestreden besluit. De rechtbank ziet in wat eiser verder in beroep heeft aangevoerd daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgronden kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

25. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft.

26. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

27. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

22 augustus 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover daarbij beslist is op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.P. Loman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?