RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4998 en NL25.4999
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Dhalganjansing), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU/EER verblijfsdocument. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Tevens heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Beroepsgronden
Artikel 20 VWEU
Artikel 7 van het Handvest en artikel 8 van het EVRM
Hoorplicht
Artikel 31 Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht
Feiten
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij heeft op 15 juli 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Eiseres stelt dat sprake is van een zeer bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen haar en een Burger van de Unie, haar oom [referent] (referent), als bedoeld het arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 8 mei 20181 in de zaak K.A. (K.A.-arrest).
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat er sprake is van een zodanig uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie tussen haar en referent dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Alleen in uitzonderlijke situaties kan tussen twee meerderjarige personen, waarvan één een meerderjarige burger van de Unie betreft, een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU bestaan. Volgens de minister is er in het geval van eiseres geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in het K.A.-arrest. Eiseres heeft niet aangetoond dat referent medische problemen heeft, dat sprake is van een uitzonderlijke psychische situatie en dat referent alleen van eiseres afhankelijk is. Eiseres heeft ook niet aangetoond dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheid dat zij op geen enkele wijze van referent kan worden gescheiden. Evenmin is aangetoond dat het weigeren van verblijf aan eiseres ertoe zal leiden dat referent gedwongen zal zijn het grondgebied van de lidstaten te verlaten. Tenslotte heeft de minister ambtshalve getoetst aan artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), maar heeft hij geconcludeerd dat de uitzetting van eiseres niet in strijd is met het recht op familie- en privéleven.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiseres is van mening dat haar aanvraag zowel ziet op toetsing aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU als op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiseres stelt dat de minister de aanvraag ten onrechte eerst heeft getoetst aan het Europese recht en vervolgens aan het nationale recht. Volgens eiseres moet de minister eerst aan het nationale recht en vervolgens aan het Europese recht toetsen. Verder stelt eiseres dat de minister – onder andere in strijd met artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – de hoorplicht heeft geschonden door haar in de bezwaarprocedure niet te horen. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst eiseres erop dat zij in afwachting is van rapportages van medisch deskundigen en een eigen verklaring heeft overgelegd. Bovendien heeft referent medische klachten en bestaat er een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent. Ook voert eiseres aan dat zij een verwesterde vreemdeling is en om die reden rechtmatig verblijf in Nederland moet krijgen. Tot slot verwijst eiseres naar verschillende uitspraken van nationale rechtbanken, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het HvJ en een handleiding van de Europese Commissie.
5. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk is geweest om medische documenten te ontvangen over haar medische situatie en die van referent. Verder stelt eiseres dat zij jong volwassene en daarom rekening gehouden had moeten worden met het jong volwassenenbeleid. Daarnaast heeft eiseres een verblijfsvergunning in België gehad en heeft zij daar ongeveer drie jaar gewoond en gestudeerd. Hierdoor heeft eiseres opgebouwde rechten in België. Deze in de Europese Unie opgebouwde rechten had de minister ook mee moeten meewegen in het bestreden besluit.
1. ECLI:EU:C:2018:308.
Oordeel van de rechtbank
Vooraf
6. De rechtbank overweegt dat uit het enkel in algemene zin verwijzen naar uitspraken, (internationale) wetsartikelen en het handboek van de Europese Commissie – zonder dit nader toe te lichten – de rechtbank niet kan afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien heeft eiseres op geen enkele wijze duidelijk gemaakt waarom de aangehaalde uitspraken op haar situatie van toepassing zijn. Deze punten zal de rechtbank daarom niet als beroepsgronden aanmerken.
De aanvraag
7. De minister heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiseres getoetst of eiseres voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU. Vervolgens heeft de minister ambtshalve getoetst of sprake is van een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft dus zowel getoetst aan artikel 20 van het VWEU als aan artikel 8 van het EVRM.
8. Zoals volgt uit het beleid van de minister zal bij de afwijzing van een reguliere aanvraag ambtshalve worden beoordeeld of er aanknopingspunten bestaan voor een verblijfsrecht op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn, artikel 10 van Verordening 492/2011, artikel 21 VWEU of artikel 20 VWEU.2 Dus in zoverre kan eiseres gevolgd worden in haar stelling. In het geval van eiseres ligt echter een aanvraag voor toetsing aan artikel 20 VWEU voor. Er is geen reguliere verblijfsvergunning aangevraagd, dus de minister hoeft niet te toetsen of er sprake is van een verblijfsrecht op nationale gronden. Bij het verlenen van een verblijfsvergunning op een aanvraag geldt immers dat de vreemdeling bij de aanvraag het verblijfsdoel moet opgeven. Dit doet zij door een beperking aan te kruisen op het vastgestelde aanvraagfomulier. Het is aan de minister om, naar aanleiding van het opgegeven specifieke verblijfsdoel, te bepalen welke beperking van toepassing is. Uit paragraaf B1/8.1 Vc blijkt overigens dat de minister met behulp van het aanvraagformulier kenbaar maakt welke documenten daarvoor nodig zijn.3 Eiseres heeft op het aanvraagformulier om toetsing aan het EU-recht voor niet de EU afkomstige familieleden anders dan ouders, grootouders, kinderen of kleinkinderen van de burger van de Unie (niet zijnde Nederlander) verzocht. Subsidiair heeft zij verzocht om toetsing aan artikel 8 van het EVRM. De minister heeft dan ook terecht eerst getoetst aan artikel 20 VWEU en vervolgens aan artikel 8 van het EVRM. Er is terecht niet aan andere (reguliere) verblijfsgronden getoetst.
9. Zoals is overwogen in de rechtsoverwegingen 7 en 8, is de aanvraag van eiseres leidend voor de beoordeling van de minister. De aanvraag van eiseres ziet op een afgeleid verblijfsrecht als familielid van een Burger van de Unie. Een derdelander zoals eiseres kan een verblijfsrecht ontlenen aan het verblijfsrecht van een Burger van de Unie, als sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Uit het K.A.-arrest volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen tussen twee volwassen familieleden een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU kan bestaan, als een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Het is aan eiseres om dit aannemelijk te maken.4
2 Paragraaf B10/2.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3 Zoals volgt uit artikel I:3, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb artikel 4: I Awb, artikel 4:2 Awb en artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
10. De beantwoording van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat deze situatie zich voordoet, vergt een beoordeling door de minister van de, gelet op artikel 4:2 van de Awb, door eiseres in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.5
11. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen haar en referent bestaat dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Eiseres heeft hiertoe immers geen documenten overgelegd, waardoor de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent niet is aangetoond. Daarbij komt dat eiseres onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij geen medische documenten over kon leggen. Gelet hierop heeft de minister de aanvraag terecht afgewezen. Het beroep op het K.A.-arrest slaagt dan ook niet en de minister heeft zijn beoordeling in eerste instantie terecht beperkt tot deze toetsing. Vervolgens heeft de minister getoetst of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM.
12. Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend. Volgens de toelichting bij het Handvest correspondeert artikel 7 van het Handvest met artikel 8 van het EVRM. Het voorgaande is bevestigd in vaste rechtspraak van het HvJ en de hoogste bestuursrechter.6
13. Omdat eiseres niet heeft aangetoond dat er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen haar en referent en, zoals hiervoor is overwogen, er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent, is eveneens geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid, en dus ook geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In een dergelijke situatie hoeft de minister ook geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken. Het jong volwassenenbeleid kan in dit geval daarom ook geen rol spelen.
14. Voor zover eiseres heeft gesteld dat de minister haar verblijf en studie in België mee had moeten wegen in het kader van artikel 8 van het EVRM, kan de rechtbank deze stelling niet volgen. Eiseres heeft niet nader toegelicht waarom dit van belang is voor een aanvraag voor verblijf bij referent.
4 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024,
r.o. 3.2., ECLI:NL:RVS:2024:2541.
5 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juni 2024, ECLENL:RVS:2024:2541.
6 Zie hiervoor bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 15 november 2011 (Dereci e.a.), ECLI:EU:C:2011:734 en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986.
15. Voor zover eiseres stelt dat het besluit van de minister tot inhumane gevolgen leidt, onder verwijzing naar het arrest Jeunesse7, volgt de rechtbank eiseres hierin niet. De minister heeft de aanvraag van eiseres beoordeeld aan de hand van de toepasselijke wet- en regelgeving en is- zoals uit het bovenstaande volgt – op goede gronden tot de conclusie gekomen dat eiseres niet in aanmerking komt voor het gevraagde document en voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres en referent in elkaars nabijheid willen verblijven, kan dit niet tot de conclusie leiden dat het besluit van de minister inhumaan zou zijn.
16. Ten aanzien van het beroep op het arrest van 11 juni 20248 van het HvJ waaruit zou volgen dat eiseres als de verwesterde vreemdeling een verblijfsrecht moet krijgen, overweegt de rechtbank allereerst dat eiseres haar stelling dat zij is verwesterd geenszins heeft onderbouwd. Ten tweede ziet het arrest op het beleid over verwestering binnen de beoordeling van asielaanvragen, terwijl eiseres een reguliere aanvraag heeft gedaan voor toetsing aan het EU-recht. Gelet op de waterscheiding tussen reguliere en asielvergunningen, kan dit arrest eiseres dan ook niet baten. De beroepsgrond slaagt niet.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiseres niet had hoeven horen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De minister mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.9 Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiseres is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft de minister kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Eiseres heeft immers ook in bezwaar geen stukken overgelegd om de afhankelijkheidsrelatie te onderbouwen. Ook tijdens de bezwaarfase is niet gecommuniceerd over de inspanningen die zijn verricht om deze stukken, zoals de aangekondigde rapportages, over te leggen. De minister mocht daarom van het horen in de bezwaarfase afzien.
18. Verder volgt de rechtbank de stelling van eiseres, dat op grond van artikel 41 van het Handvest sprake is van een absolute hoorplicht in bezwaar, niet. Dit artikel ziet namelijk op het recht op behoorlijk bestuur door de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie en richt zich niet direct tot de lidstaten.10 Uit het voorgaande volgt ook dat het beroep van eiseres op het preadvies van staatsraad mr. Seventer11 niet kan slagen.
7 Arrest van het EHRM van 3 oktober 2014 (Jeunesse t. Nederland), ECLI:EC:ECHR:2014 :1003JUD001273 8 10.
8 Arrest van het Hof van 11 juni 2024, zaak C-646/21.
9 Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLENL:RVS:2022:1918.
10 Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 5 november 2014, zaaknummer C-166/13, ECLI:EU:C:2014:2336.
11 H. Sevenster, 'Heeft de keizer nieuwe kleren?' in: Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde, Deventer. Wolters Kluwer 2024.
Zorgvuldige besluitvorming
19. Eiseres heeft het standpunt ingenomen dat de minister de zaken van eiseres onrechtmatig op stelselmatige wijze afdoet. De rechtbank overweegt dat het enkele feit dat sprake is van een projectmatige afdoening van de zaken vanwege hun gemeenschappelijke aangevraagde verblijfsdoel, niet maken dat er sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Ook is de rechtbank niet gebleken van vooringenomenheid, discriminatie en een bewuste schending van artikel 3:2 van de Awb.
20. De beroepsgrond van eiseres, dat de minister het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht schendt door bewust de lijn uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het HvJ niet te volgen, is niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Ook heeft eiseres niet gemotiveerd op welke punten het besluit van de minister bewust strijdig zou zijn met de uitspraken die zij noemt. De beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
21. De rechtbank stelt vast dat de verdere beroepsgronden (grotendeels) uitsluitend een herhaling zijn van wat eiseres al in bezwaar naar voren heeft gebracht. Daarop is de minister in het bestreden besluit al gemotiveerd ingegaan. Eiseres heeft niet aangegeven wat op deze punten niet juist is aan de motivering van het bestreden besluit. De rechtbank ziet in wat eiseres verder in beroep heeft aangevoerd daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. Deze beroepsgronden kunnen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand blijft.
23. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
24. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 augustus 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, voor zover daarbij beslist is op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.