RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Prins).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30430
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw Zyad. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toetsing
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Ter zitting heeft de minister de zware grond onder 3i laten vallen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de overige zware en lichte gronden voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Lichter middel
4. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft in het gehoor voor inbewaringstelling van 9 juli 2025 gezegd dat hij zal meewerken met de terugkeer naar zijn land van herkomst als zijn asielaanvraag wordt afgewezen. Op dit moment wil eiser niet terugkeren naar zijn land van herkomst, omdat dit problematisch voor hem is. Eiser heeft daarom een herhaalde asielaanvraag ingediend. Verder heeft eiser in Frankrijk een partner en kinderen. De eerste wens van eiser is om daar asiel aan te vragen om bij zijn partner en kind te kunnen verblijven. Het regelen van de juiste documenten om in Frankrijk asiel aan te vragen is moeilijk vanuit detentie en is daarom ook niet gelukt.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan volgt dat er sprake is van risico op onttrekking aan het toezicht. Eiser bevindt zich al langere tijd in bewaring. Daarvan is meerdere malen de grondslag gewisseld door indiening van asielaanvragen. Op het moment dat een uitzettingsdatum in zicht komt, vraagt eiser opnieuw asiel aan. Hierdoor kan niet aangenomen worden dat eiser wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Dat eiser stelt een partner en kind in Frankrijk te hebben maakt dit niet anders. Eiser heeft hierover wisselend verklaard, geen documenten overgelegd en het is niet gebleken dat eiser contact heeft met zijn partner en kind. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 juli 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.