RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. Matadien),
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Prins).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30291
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 17 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
Lichter middel
Voortvarend handelen
1. Eiser stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ophouding
3. Eiser stelt dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, maar dit had artikel 50, tweede lid, van de Vw moeten zijn. De identiteit van eiser was immers niet direct duidelijk en ook was niet direct duidelijk of eiser al dan niet rechtmatig verblijf had in Nederland.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de ophouding van eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw heeft plaatsgevonden. De identiteit van eiser kon vastgesteld worden aan de hand van eisers geldige Oezbeekse paspoort. Hierdoor kon ook vastgesteld worden dat eiser geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Artikel 50, derde lid, van de Vw is dan de juiste grondslag om eiser op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser alle zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Over de zware grond onder 3a voert eiser aan dat deze grond niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht worden gelegd, omdat het paspoort van eiser in beslag is genomen door de politie. Eiser heeft zich gemeld bij de politie om zijn paspoort terug te krijgen, maar dit is niet gelukt. Ten aanzien van de zware grond onder 3b stelt eiser zich op het standpunt dat hij zich wel heeft gemeld bij de politie. Hij wilde namelijk zijn paspoort terug om zijn terugkeer te regelen. Uit het feit dat eiser zich heeft gemeld en laat zien dat hij medewerking wil verlenen aan zijn terugkeer, volgt dat er geen sprake is van een risico op onttrekking.
7. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a en 3b feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eiser is eerder vertrokken uit Nederland terwijl zijn paspoort nog was ingenomen. Hij heeft getracht asiel aan te vragen in andere Europese landen. Na twee tot drie maanden is eiser weer terug gekeerd en heeft hij geprobeerd zijn paspoort terug te krijgen. Eiser is hierdoor niet op voorgeschreven wijze Nederland binnen gereisd, omdat hij geen geldig paspoort had op het moment dat hij Nederland is ingereisd. De zware grond onder 3a kon daarom aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Op het moment dat eiser weer terug was in Nederland heeft hij ook geen melding gemaakt van zijn illegale verblijf in Nederland. De zware grond onder 3b kan daarom ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd.
8. De zware gronden onder 3a en 3b zijn al voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Deze twee zware gronden kunnen de maatregel van bewaring al dragen. De beroepsgrond slaagt daarom niet en de rechtbank laat de geschilpunten over de overige gronden van bewaring onbesproken.
9. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat eiser bereid is terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit heeft eiser ook in het gehoor voor inbewaringstelling aangegeven. Met dit feit heeft de minister in de maatregel van bewaring onvoldoende rekening gehouden. Daar komt bij dat eiser ook zijn eigen terugkeer heeft geregeld via het IOM. Verder meent eiser dat het regime in detentiecentrum [plaats] te streng is, waardoor dit geen plek is voor de tenuitvoerlegging van vreemdelingenbewaring.
10. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan blijkt al dat er sprake is van een risico op onttrekking. Eiser verbleef voorafgaand aan zijn aanhouding al enige tijd illegaal in Nederland, zonder aan zijn vertrek te werken. De minister heeft in deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien voor het toepassen van een lichter middel. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 1 dat detentiecentrum [plaats] als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn kan worden aangemerkt. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom dit in zijn geval niet zo zou zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. De uitzetting van eiser had eerder geregeld kunnen worden, omdat de documenten beschikbaar waren bij de minister. Eiser is via het IOM teruggekeerd en begreep daarom niet waarom hij nog in bewaring zat tot aan de datum van zijn vlucht.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Eiser is op 6 juli 2025 in bewaring gesteld. Op 9 juli 2025 heeft er een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en is het paspoort van eiser opgevraagd bij de AVIM en Bureau Documenten. Dezelfde dag is het paspoort naar de minister verzonden en is een vlucht voor eiser geboekt, met als vluchtdatum 23 juli 2025. Al deze handelingen van de minister kunnen gezien worden als uitzettingshandelingen. Hiermee heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. Dat eiser uiteindelijk op 17 juli 2025 via het IOM is vertrokken maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Zie de uitspraken van de Afdeling van 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2663 en 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2103.
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluit van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 juli 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.