RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kowsari).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37196
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 8 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. D. van Elp, als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Lichter middel
Ambtshalve toetsing
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden onder 3b, 3c en 3d en de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d heeft betwist. Ten aanzien van de zware grond onder 3b stelt eiser dat de minister niet aan eiser mocht tegenwerpen dat hij vanaf 30 juni 2021, 20 oktober 2021, 20 juni 2022, 28 april 2023 en 14 december 2023 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Deze mob-meldingen liggen te ver in het verleden om het huidige risico op onttrekking te kunnen onderbouwen. Verder is de opvang van eiser beëindigd op 5 februari 2025 wegens de strafrechtelijke detentie van eiser, maar er bevindt zich in het dossier geen informatie over deze detentie. Hierdoor is het onduidelijk vanaf welk moment van eiser weer verwacht kon worden dat hij zich zou melden.
4. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3b feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. Eiser is meerdere malen met onbekende bestemming vertrokken waardoor hij zich steeds enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. Dat deze meldingen van 2021, 2022 en (april en december) 2023 zijn, maakt niet dat deze meldingen op dit moment niet meer aan eiser tegengeworpen kunnen worden. Het is immers feitelijk juist dat eiser zich eerder aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken. De zware grond onder 3b mocht om deze reden al aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Overigens bevindt zich, anders dan eiser nog stelt, een uittreksel JD in het dossier waaruit de detentieperiode(s) van eiser blijken.
5. De niet betwiste zware grond onder 3a en de zware grond onder 3b zijn al voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom al dragen. Om die reden behoeft hetgeen eiser verder ten aanzien van de overige gronden heeft aangevoerd geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Het aan eiser in 2022 opgelegde terugkeerbesluit is recent pas herleefd met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2025, waardoor er geen indicaties zijn dat eiser niet bereid is mee te werken aan zijn terugkeer. Verder zijn ook de meldingen dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken van een aantal jaren geleden. Eiser heeft geen kans gekregen om terug te keren naar zijn land van herkomst vanaf het moment dat hij bekend was met het herleefde terugkeerbesluit.
7. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan volgt al dat er sprake is van een risico op onttrekking aan toezicht. Zoals hierboven al is overwogen is eiser eerder meermalen met onbekende bestemming vertrokken, laatstelijk op 14 december 2023. Hierdoor is het risico te groot dat eiser wederom met onbekende bestemming zal vertrekken als hem een lichter middel wordt opgelegd. Daarbij komt nog dat eiser meerdere malen heeft verklaard dat hij niet terug wil en kan keren naar Marokko. Hierdoor zal een lichter middel niet doeltreffend zijn. Dat eiser stelt dat hij pas op het moment van zijn inbewaringstelling op de hoogte is gesteld van (de herleving van) zijn terugkeerbesluit, maakt dit niet anders. Het is immers aan eiser om op de hoogte te blijven van zijn lopende procedures en de eventuele gevolgen daarvan. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 augustus 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.