RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Agayev),
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kowsari).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36849
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Zicht op uitzetting
Voortvarendheid
Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste
documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd de maatregel kunnen dragen.
Lichter middel
3. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Vreemdelingenbewaring moet zo kort mogelijk duren. Dat is nu niet het geval, nu de minister niet weet naar welk land eiser uitgezet moet worden.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan volgt al dat er sprake is van een risico op onttrekking aan toezicht. Daarbij komt dat eiser niet meewerkt aan het vaststellen van zijn nationaliteit en identiteit, waardoor de bewaring mogelijk langer duurt. Door niet mee te werken aan het vaststellen van zijn nationaliteit en identiteit is er ook sprake van een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verder heeft eiser ook geen omstandigheden genoemd waarom wel een lichter middel opgelegd zou moeten worden of waarom de maatregel van bewaring voor hem onevenredig bezwarend zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser stelt dat er geen sprake is van een zicht op uitzetting binnen afzienbare tijd nu de minister niet weet naar welk land eiser uitgezet moet worden.
6. De rechtbank oordeelt als volgt. Het is primair aan eiser om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Nu eiser niet meewerkt is het voor de minister onduidelijk naar welk land eiser uitgezet moet worden. Dat dit niet duidelijk is, betekent echter niet dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Vreemdelingenbewaring moet zo kort mogelijk duren. De minister weet niet naar welke land eiser uitgezet moet worden. Het is niet de bedoeling dat een vreemdeling in bewaring wordt gesteld om vervolgens uit te zoeken naar welk land hij uitgezet moet worden.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Het is primair aan eiser om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Nu eiser dat niet doet, moet de minister verschillende handelingen uitvoeren om erachter te komen naar welke land eiser uitgezet moet worden. De minister heeft meerdere
vertrekgesprekken gevoerd met eiser, te weten op 18 juli 2025, 22 juli 2025 en 6 augustus 2025. Met het uitvoeren van deze handelingen heeft de minister voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Omdat eiser volstrekt niet meewerkt, kan de minister niet veel anders doen dan het blijven voeren van vertrekgesprekken om meer informatie te vergaren over de identiteit en nationaliteit van eiser. Op het moment dat eiser meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit kan de minister ook andere uitzettingshandelingen verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 augustus 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.